Koen Geens I Stap Voorwaarts | Rechtvaardige justitie
14886
page,page-id-14886,page-template-default,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-theme-ver-6.4,wpb-js-composer js-comp-ver-4.4.2,vc_responsive

Rechtvaardige justitie

JUSTITIEPLAN – DEEL 4
Efficiënt functionerende justitiediensten.

 

IV.1. Uitgaven, inkomsten en investeringen.

IV.1.1 Uitgaven beheersen.
IV.1.1.1. Gerechtskosten beperken.
a) Juridisch kader moderniseren.
b) Herzien tarieven gerechtskosten.
c) Stroomlijnen boekhoudkundige afhandeling.
d) Betere recuperatie van gerechtskosten.
e) Screening alle justitiekosten en modernisering betalingsproces.
IV.1.1.2. Schaalvoordelen in contracten en facilitaire diensten.
IV.1.1.3. Verplaatsingen verminderen.
IV.1.2. Inkomsten verhogen.
IV.1.2.1. Betere inning penale boetes.
IV.1.2.2. Hervorming rolrechten.
IV.1.2.3. Optimalisering werking Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en Verbeurdverklaring (COIV).
IV.1.3. Informatisering.
IV.1.3.1. Budgettaire meerjarenplanning ICT-justitie.
IV.1.3.2. Te bereiken doelstellingen voor ICT.
a) Het elektronisch dossier centraal. b) ICT-hardware infrastructuur. c) Opbouw van een concreet stappenplan voor de legislatuur.
IV.1.3.3. Maatregelen op korte termijn.
a) e-Box project. b) e-Depot: elektronische neerlegging van vennootschapsakten en rechtspersonen. c) e-Deposit: elektronische neerlegging van conclusies. d) e-PV: de elektronische communicatie van processen-verbaal vanuit andere overheidsdiensten naar justitie. e) Databank vonnissen en arresten.
IV.1.3.4. Informatisering rechtbanken van koophandel.
a) Overdracht van een aantal beheersopdrachten aan derden. b) Vereenvoudiging procedures en afschaffing ondoeltreffende taken. c) Informatisering van de rechtbanken van koophandel.
IV.1.3.5. Medewerking juridische beroepen.
IV.1.4. Infrastructuur en gebouwen moderniseren.
IV.1.4.1. Modernisering penitentiaire infrastructuur.
IV.1.4.2. Gebruik alternatieve financieringsvormen.
IV.1.4.3. Masterplan gerechtsgebouwen.
IV.1.4.4. Veiligheid gebouwen.

 

IV.2. Beheer en personeel van de rechterlijke orde.

IV.2.1. Moderne werkprocessen en efficiënte rechtscolleges.
IV.2.1.1. Efficiëntere werkprocessen.
IV.2.1.2. Efficiëntie bij verdeling zaken, regeling van incidenten en organisatie van zittingen.
IV.2.1.3. Gerechtelijke kantons herschikken.
IV.2.1.4. Eenheidsrechtbank.
IV.2.2. Efficiënt personeelsbeleid.
IV.2.2.1. Vergrijzing tijdig opvangen.
a) Vergrijzing magistratuur. b) Gerechtspersoneel.
IV.2.2.2. Boordtabellen voor magistraten en gerechtspersoneel.
IV.2.2.3. Een sterkere mobiliteit van magistraten en gerechtspersoneel
a) Interne mobiliteit (zonder toestemming). b) Externe mobiliteit (met toestemming).
IV.2.2.4. Langer werken.
a) Aanpassing van de pensioenleeftijd. b) Duidelijke pensioenbepalingen. c) Deeltijds werken na oppensioenstelling. d) Langer werken versoepelen voor gepensioneerde magistraten.
IV.2.2.5. Expertise behouden.
a) Leden strafuitvoeringsrechtbanken. b) Mandaten Federaal Parket. c) Mandaten in internationale instellingen.
IV.2.2.6. Diverse maatregelen rond magistraten en personeel.
IV.2.3. Beheersautonomie voorbereiden.
IV.2.3.1. Installatie colleges, gemeenschappelijk beheerscomité en verbindingsmagistraat.
a) Installatie van de colleges. b) Installatie van het gemeenschappelijk beheerscomité. c) Aanwijzing verbindingsmagistraat.
IV.2.3.2. Operationalisering van de steundiensten bij de colleges.
IV.2.3.3 Overdracht van beheersbevoegdheden.
a) Lokaal : de directiecomités van de gerechtelijke entiteiten. b) Centraal: de colleges en het gemeenschappelijk beheer. c) Tussenniveau: groepering directiecomités op niveau van het rechtsgebied van de hoven van beroep of per type rechtscollege of parket.
IV.2.3.4. Beheersovereenkomsten met de colleges.
a) Beheersovereenkomsten vanaf 2017. b) Minimaal op te nemen doelstellingen.
IV.2.3.5. Toekenning en verdeling van middelen.
a) Overdracht van middelen. b) Bepaling van middelenenveloppes.
IV.2.3.6. Werklastmeting uitvoeren.
IV.2.3.7. Modernisering van de personeelsorganisatie.
IV.2.3.8. Controle en evaluatie.

 

IV.3. Penitentiair personeelsbeheer.

IV.3.1. Verlof voorafgaand aan pensioen (VVP).
IV.3.2. Vorming penitentiair personeel.
IV.3.3. Rationalisering werkmethodes.

 

V. Download hier de vooropgestelde timing van het justitieplan.

 

 

IV. Efficiënt functionerende justitiediensten

 

Dit hoofdstuk beoogt de modernisering van het instrumentarium en de gehele “back office” die justitie ondersteunen. Door te focussen op de kerntaken van justitie en in te zetten op efficiëntiewinsten en kostenbesparingen kan beter werk worden afgeleverd met minder middelen, waardoor op termijn middelen kunnen worden vrijgemaakt voor nieuwe investeringen. Uitgaven moeten worden beperkt via heronderhandelingen met leveranciers en meer schaalvoordelen bij aanbestedingen. Facturen moeten tijdig worden ingeschat en betaald dankzij een hervorming van de bestellings- en betalingsstromen. Justitie wordt meer auto-financierend door de aanpassing van de tarieven voor het instellen van een vordering bij justitie aan de waarde van het geding, door een betere invordering van boetes en een betere werking van het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring (COIV). Een versnelde informatisering moet via de invoering van een elektronisch dossier en een veralgemening van elektronische werkprocessen en informatiestromen leiden tot werklastvermindering, capaciteitswinsten, dalende justitiekosten (zoals post- en portkosten) en een inkorting van de doorlooptijden van de processen. Infrastructuur en gebouwen worden gemoderniseerd en gerationaliseerd, via een aangepast masterplan voor de gevangenissen dat rekening houdt met de beoogde beperking van de instroom en een nieuw masterplan voor de gerechtsgebouwen. De rechterlijke orde krijgt meer beheersautonomie bij de inzet van de toegewezen middelen, en het interne beheer van rechtscolleges en parketten. Verder wordt het aantal vredegerechten verminderd om te komen tot een betere werklastverdeling. Er zal sneller en soepeler kunnen worden ingespeeld op lokale behoeften, werklast en vacatures via maatregelen rond juridische ondersteuning van magistraten, mobiliteit, mutatie en langer werken. Een aangepast statuut en meer inzet op vorming en competenties moeten de modernisering van het HRM-beleid voor magistraten en gerechtspersoneel verder ondersteunen. Vanaf 2017 wordt gewerkt met beheersovereenkomsten, afgesloten tussen de minister van Justitie, het College van het openbaar ministerie, het College van hoven en rechtbanken en het Hof van Cassatie. Door een overdracht van middelen en beheerbevoegdheden bij toepassing van het subsidiariteitsbeginsel op het gepaste beheerniveau en de koppeling aan doelstellingen inzake het wegwerken van gerechtelijke achterstand, kortere doorlooptijden en efficiënter beheer, zal justitie beter en sneller kunnen functioneren.

 

  1. Een optimale uitoefening van de justitiële kerntaken binnen aanvaardbare termijnen vereist een juiste invulling van de onderliggende omkadering, ondersteuning en beheer. Zo kan de efficiëntie worden verbeterd door de uitgaven van justitie te beperken en haar inkomsten te vergroten. Dit kan bijvoorbeeld door de tarieven voor het instellen van een vordering bij justitie aan te passen in verhouding tot de waarde van het geding, of door in te zetten op een betere invordering van boetes.
  2. De in dit hoofdstuk voorgestelde maatregelen kunnen, samen met deze die hoger werden toegelicht rond de burgerlijke rechtspleging (hoofdstuk II, nrs. 46-85) en het strafprocesrecht (hoofdstuk III, nrs. 134-182), bijdragen tot een beperking van de doorlooptijden. Streefdoel is om in elke aanleg uitspraken te vellen binnen het jaar na de instelling van de vordering. In een benchmarkstudie van de Raad van Europa uit 2006[1] werd gesteld dat onder meer de volgende maatregelen een positieve impact kunnen hebben op het inkorten van doorlooptijden:

 

  • de focus op informatisering voor een versnelde behandeling van de zaak en bewijsvoering, onder meer door automatisering van repetitieve taken, de invoering van het elektronisch dossier en het gebruik van elektronische platformen voor de uitwisselingen tussen rechtscolleges en partijen en de elektronische informatiestromen;
  • de bevordering van audiovisuele technieken zoals videoconferentie in gerechtelijke procedures voor verhoor, getuigenverklaringen en zittingen in strafzaken;
  • het voorzien van soepele mechanismen in hoofde van de korpschef voor de toewijzing van zaken en het gebruik van mobiliteit om snel te kunnen inspelen op wijzigende input, werklast en vacatures;
  • de focus op kerntaken van magistraten door uitbreiding van de ondersteunende bevoegdheden van de juridische medewerkers.

 

  1. Efficiëntiewinsten kunnen onder meer worden gerealiseerd door kostenposten te beperken via modernisering van werkprocessen en informatisering, bestellingen en betalingen anders te beheren, schaalvoordelen na te streven bij aanbestedingen en contracten en in te zetten op centralisering en rationalisering bij de modernisering van infrastructuur en gebouwen.
  2. Het werken met beheersovereenkomsten vanaf 2017 en de koppeling van beheersautonomie voor de rechterlijke orde aan een meer resultaatsgerichte inzet van de toegekende middelen zal bovendien leiden tot een betere inschatting van de behoeften en prioriteiten en een grotere responsabilisering voor de gedane uitgaven.
  3. Dit hoofdstuk bestaat uit drie delen. Vooreerst (IV.1) wordt ingegaan op de maatregelen die toelaten de kosten te beperken en de inkomsten te verhogen, en op het beleid rond investeringen in ICT en gebouwen. Ten tweede (IV.2) wordt het personeelsbeleid en het beheer van de rechterlijke orde besproken. Ten derde (IV.3) wordt een deel gewijd aan het personeelsbeleid binnen de penitentiaire inrichtingen.

 

IV.1. Uitgaven, inkomsten en investeringen

 

  1. Hieronder worden vooreerst maatregelen voorgesteld om (IV.1.1) de uitgaven te beheersen en (IV.1.2) inkomsten te verhogen. Er wordt vervolgens ook ingegaan op de infrastructuur van justitie, namelijk (IV.1.3) de ICT en (IV.1.4) de gebouwen.

 

IV.1.1 Uitgaven beheersen

 

  1. De uitgaven van justitie worden beheerst door (IV.1.1.1) het beperken van de gerechtskosten, (IV.1.1.2.) het realiseren van schaalvoordelen in contracten en facilitaire diensten, en (IV.1.1.3) het beperken van verplaatsingskosten.

 

IV.1.1.1. Gerechtskosten beperken

 
(KB’s en autonoom wetsontwerp / regeerakkoord, p. 129-130) Er worden maatregelen genomen om betalingsproblemen te verhelpen en uitgaven te beheersen door een modernisering van het juridisch kader rond gerechtskosten, een herziening van de tarieven, een stroomlijning van de boekhoudkundige verwerking en een proactief bestelbeheer, en een betere recuperatie van gerechtskosten. Door een globale doorlichting worden de justitiekosten in het algemeen beperkt.
 

  1. De oplopende budgettaire kost van de gerechtskosten en de betalingsproblemen van onze leveranciers in het kader van gerechtsexpertises in strafzaken vormen de aanleiding om verdere kostenefficiëntie na te streven. Voor de gerechtskosten in strafzaken gebeurt dit door (a) een modernisering van het juridisch kader, (b) een herziening van de tarieven, (c) een stroomlijning van het de boekhoudkundige afhandeling en (d) een betere recuperatie van gerechtskosten. Tot slot (e) wordt de volledige wetgeving gescreend om de justitiekosten in het algemeen te beperken.

 

Juridisch kader moderniseren

 

  1. Het verouderde juridische kader van het koninklijk besluit van 28 december 1950 wordt gemoderniseerd, samen met een herziening van de wettelijke basis van de programmawet van 27 december 2006. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de Europese Richtlijn van 20 oktober 2010 “betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures” (richtlijn 2010/64/EU) en de wet van 10 april 2014 “tot wijziging van verschillende bepalingen met het oog op de oprichting van een nationaal register voor gerechtsdeskundigen en tot oprichting van een nationaal register voor beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken”.
  2. De besluiten ter uitvoering van de wet van 10 april 2014 worden voorbereid, onder meer rond het beheer van het register van gerechtsdeskundigen dat kwaliteitsvereisten zal vastleggen op basis waarvan gerechtsdeskundigen in het register opgenomen of geschrapt worden, en rond de deontologische code voor de tolken, vertalers en taptolken. Er dient tevens nagedacht over de organisatorische inbedding van deze bijkomende taak, de informatisering van het register en zijn privacy aspecten. Verder vraagt de richtlijn dat de samenwerking tussen de rechterlijke orde en de beroepsverenigingen wordt vastgelegd, wat de werkomstandigheden en wijze van samenwerken betreft. Er zullen tevens opleidingen voor de magistraten worden georganiseerd in het werken met gerechtstolken.

 

Herzien tarieven gerechtskosten

 

  1. De tarieven van de gerechtskosten worden herzien door de technologische evoluties in rekening te brengen die de kosten beperken, door te werken met forfaits waar mogelijk, en door de administratieve lasten voor de leveranciers en voor justitie te verminderen. Zo zijn onderhandelingen opgestart voor de DNA- en toxicologische analyses, is periodiek overleg aan de gang met de tolken en vertalers, en zijn de tarieven van de telefoontaps in heronderhandeling met de telecomoperatoren. Ook de rol van het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie (NICC) en de Commissie gerechtskosten zal worden geëvalueerd en indien nodig bijgestuurd.

 

Stroomlijnen boekhoudkundige afhandeling

 

  1. De boekhoudkundige afhandeling van de gerechtskosten binnen de FOD Justitie en bij de griffies wordt gestroomlijnd en vereenvoudigd om een eenduidige en centrale opvolging van deze gerechtskosten toe te laten en de administratieve lasten voor justitie en de gerechtsexperten zelf te verminderen. Zo wordt overgestapt van een reactief betalingsbeheer naar een proactief bestelbeheer waarbij men zicht krijgt op de bestellingen via een geïnformatiseerde bestelmodule. Op die manier kunnen de bestelde gerechtskosten in de hand worden gehouden. Om de administratieve last van facturaties te verminderen voor leverancier en griffie, zal onder meer gebruik gemaakt worden van een model dat gemakkelijker controle toelaat, wordt overgestapt naar een maandelijkse facturatie in plaats van per prestatie en wordt een elektronische facturatie voorzien.
  2. Ook de controle op de aangerekende reiskosten wordt gemoderniseerd. Waar de verantwoording vandaag op basis van een verouderd register van ‘afstanden’ gebeurt, moet gebruik worden gemaakt van modernere instrumenten.
  3. De organisatie van de boekhoudkundige afhandeling zal herbekeken worden. Functies en profielen worden afgestemd en gereorganiseerd teneinde een vlotte afhandeling te verzekeren en de magistraten van administratieve taken te ontlasten zodat zij zich op hun kerntaken kunnen concentreren. Door pools van boekhouding te organiseren op een meer gecentraliseerd organisatorisch niveau, kunnen ongetwijfeld schaalvoordelen door specialisatie en werklastvermindering gerealiseerd worden (zie ook verder, in verband met de beheersautonomie, nrs. 350-384).

 

Betere recuperatie van gerechtskosten

 

  1. Een deel van de gerechtskosten in strafzaken kan worden gerecupereerd. Bedoeling is het recuperatiepercentage van de gerechtskosten te verhogen door een betere organisatie en opvolging en door de toewijzing van gerechtskosten aan een dossier te verbeteren.
  2. Er zijn vandaag 150.000 geseponeerde dossiers waarbij de dader een bekentenis afgelegd heeft of minstens gekend is, waarbij het niet meer dan normaal is dat deze dader, alvorens seponering te verkrijgen, de gemaakte gerechtskosten terugbetaalt. Om zware invorderingsprocedures te vermijden door de FOD Justitie, die daarin niet gespecialiseerd is, kan gedacht worden aan een eenvoudige invorderingsprocedure in samenwerking met de FOD Financiën zoals van toepassing in de BTW wetgeving, waarbij enkel een titel gecreëerd wordt bij niet spontane betaling op uitnodiging (het dwangbevel).

 

Screening alle justitiekosten en modernisering betalingsproces

 
(Regeerakkoord, p. 129-130)
 

  1. De volledige wetgeving en procedures van justitie worden gescreend om de justitiekosten in het algemeen te beperken. Zo wordt de dagvaarding in strafzaken zoveel mogelijk vervangen door aangetekende zendingen en worden de mogelijkheden nagegaan om de gerechtsbrieven en aangetekende brieven te vervangen door gewone brieven (zie hoger nr. 161). De belangrijkste besparing zal worden gerealiseerd door de elektronische verzending tussen de gerechtelijke instellingen onderling en de juridische beroepen technisch en juridisch mogelijk te maken (zie lager, nr. 286). Door de woonstkeuze van de cliënt bij zijn raadsman wettelijk te verankeren, zal het besparingseffect van de elektronische zendingen nog worden versterkt (zie hoger, nr. 73). Voor de betalingen zullen betaalterminals in de griffies worden aangeschaft om de aanwezigheid van cash geld te vermijden, diefstal te voorkomen en het betalingsproces vlotter te laten verlopen.

 

IV.1.1.2. Schaalvoordelen in contracten en facilitaire diensten

 
(Regeerakkoord, p. 124) Er worden schaalvoordelen gerealiseerd door samenvoeging van bestellingen en overheidsopdrachten. Ook facilitaire diensten zoals catering en schoonmaak kunnen efficiënter, bijvoorbeeld door centrale “pooling”.
 

  1. Schaalvoordelen worden gerealiseerd door samenvoeging van bestellingen en de lancering van overheidsopdrachten op het niveau van de FOD Justitie, maar ook ruimer. Voorbeeld hiervan zijn de gemeenschappelijke aankopen die gebeuren zowel voor energieverstrekking via de Regie der Gebouwen als voor courante aankopen via collectieve overheidsopdrachten (via FORCMS – de Federale Opdrachtencentrale) zoals voor bestellingen van bureaumateriaal, papier, kantoormeubilair, enzovoort. Dit hangt ook samen met de organisatie van de centralisering van het beheer die wordt beoogd in het gebouwenbeleid (zie lager, nr. 311).
  2. Daarnaast worden evenwel nog steeds aparte opdrachten gelanceerd afhankelijk van de noden binnen elke gevangenis, gerechtsgebouw, enzovoort. Bijvoorbeeld worden voor de catering aparte overheidsopdrachten gelanceerd voor de levering van voedingswaren. Hier zal worden onderzocht of er grotere contracten mogelijk zijn. Ook voor het lopende onderhoud en de investeringen inzake ICT kunnen de schaalvoordelen in het aanbesteding- en contractenbeleid bijkomende besparingen opleveren. Op basis van een overzicht van de bestaande contracten en de komende overheidsopdrachten zal worden onderzocht welke opdrachten in een eerste fase en vervolgens in de komende jaren kunnen gegroepeerd worden, rekening houdend met bestaande contracten, looptijden, verbrekingsvergoedingen, enzovoort. Dit is niet van toepassing voor de nieuwe gevangenissen volgens DBFM-formule, waarbij de wasserij en de catering mee in het contract vervat zit (zie lager, nrs. 308-309).
  3. Er wordt tot slot onderzocht of de facilitaire diensten, zoals catering- en schoonmaakvoorzieningen, efficiënter kunnen worden georganiseerd, door een “pooling” te organiseren met de andere diensten van de federale overheid.

 

IV.1.1.3. Verplaatsingen verminderen

 
(Regeerakkoord, p. 138) Verplaatsingen en dus ook bijhorende kosten en risico’s worden verminderd door het stimuleren van zittingen in de nabijheid van de nieuwe gevangenissen en een uitbreiding van het gebruik van videoconferentie.
 

  1. Om de verplaatsingskosten en risico’s te beperken, is het de bedoeling om het zetelen in de nabijheid van de gevangenissen die daarvoor zijn uitgerust te stimuleren. Dit gebeurt al voor de strafuitvoeringsrechtbanken, maar het is de bedoeling om ook de zittingen van de raadkamer, de kamer van inbeschuldigingstelling, de correctionele zittingen en assisen bij hoog risico in de nabijheid van de nieuwe gevangenissen te laten doorgaan. Aanvullend wordt het gebruik van videoconferentie (zie lager nr. 283) in burgerlijke en strafzaken uitgebreid.

 

IV.1.2. Inkomsten verhogen

(Regeerakkoord, p. 129) De inkomsten van justitie worden verhoogd door een betere inning van de penale boetes, onder meer via het opzetten van een gestructureerde gegevensuitwisseling tussen de FOD Justitie en de FOD Financiën. Verder worden de rolrechten hervormd door ze in verhouding te brengen tot de waarde van de vordering en de kosten van de rechtspraak. Ten derde wordt de werking van het COIV verbeterd door onder meer de verdere ingebruikstelling van een boekhoudapplicatie die de achterstand van 200 miljoen uit te splitsen massa kan wegwerken.

  1. Hieronder wordt aangegeven op welke manier de inkomsten van justitie worden verhoogd. Dit gebeurt door (IV.1.2.1) een betere inning van de penale boetes, (IV.1.2.2) een hervorming van de rolrechten en (IV.1.2.3) een optimalisering van de werking van het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en Verbeurdverklaring (COIV).

 

IV.1.2.1. Betere inning penale boetes

 
(Regeerakkoord, p. 131) Er wordt gestreefd naar een betere inning van de penale boetes, onder meer via het opzetten van een gestructureerde gegevensuitwisseling tussen de FOD Justitie en de FOD Financiën.

  1. Het Rekenhof bracht vorig jaar een lijvig rapport uit met aanbevelingen om de inning en invordering van penale boetes te verbeteren en daardoor het gevoel van straffeloosheid tegen te gaan. Onder de vorige minister van Justitie werd daartoe het Overlegorgaan voor de Coördinatie van de Invordering van de penale boetes bij wet opgericht. Er werd ook een actieplan opgesteld om de inning van de penale boetes te verbeteren. Een van de voornaamste verbeterpunten betreft de gegevensuitwisseling tussen de FOD Financiën en Justitie. De prioriteit gaat uit naar het opzetten van een gestructureerde gegevensuitwisseling van metagegevens in plaats van de huidige overzending van vonnissen in tekstvorm en de organisatie van de feedback betreffende de vervangende gevangenisstraf indien de geldstraffen niet kunnen worden ingevorderd.
  2. De scope wordt uitgebreid naar het zoeken van andere efficiëntiewinsten in de samenwerking tussen Financiën, Justitie en het COIV, die het domein van de penale boetes overstijgen zoals het herbekijken van de registratie van vonnissen en de gegevensuitwisseling over onderhoudsgelden naar de Dienst voor Alimentatievorderingen (DAVO).

 

IV.1.2.2. Hervorming rolrechten

 (Wetsontwerp, regeerakkoord, p. 129) De rolrechten worden hervormd door ze in verhouding te brengen tot de waarde van de vordering en de kosten van de rechtspraak, wat leidt tot een geschatte meeropbrengst van 20 miljoen euro per jaar.

  1. Op 9 februari 2015 heeft de regering in uitvoering van het regeerakkoord beslist over een hervorming van de rolrechten. Dit zijn de belastingen die betaald moeten worden bij het inschrijven van een zaak op de agenda van de rechtbank. Het rolrecht wordt in verhouding gebracht tot de waarde van de vordering en de kosten van de rechtspraak. De geschatte opbrengst van de hervorming is 20 miljoen euro per jaar. De hervorming moet mensen ertoe aanzetten om goed na te denken vooraleer de gerechtelijke weg te bewandelen. Het is dan ook verbonden met de doelstelling om alternatieve geschillenbeslechting te promoten (zei hoger, nrs. 80-81).
  2. Deze hervorming belemmert de toegang tot de rechter niet, maar heeft precies de bedoeling deze veilig te stellen voor de toekomst. Zo blijft het systeem van de rechtsbijstand behouden. De tarieven die vandaag in elke aanleg worden gehanteerd, blijven voor de ‘kleinere’ vorderingen gehandhaafd. Voor vorderingen waar grotere belangen spelen wordt het rolrecht opgetrokken in functie van de waarde van de vordering of het instellen van hoger of cassatieberoep. Bij dat alles mag niet uit het oog worden verloren dat het rolrecht, met de gerechtskosten, uiteindelijk gedragen wordt door de verliezer van het proces. En zo wordt ook roekeloos verweer – een onbetwistbare schuldvordering niet voldoen en de schuldeiser doen dagvaarden – ontmoedigd. Daarenboven wordt het tarief voor de familierechtbanken eenvormig vastgesteld op 100 euro gekoppeld aan de ‘permanente aanhangigheid’. Dit betekent dat een rolrecht van 100 euro eenmaal wordt betaald voor één familiezaak. Tot vandaag moest telkens een rolrecht betaald worden bij elke nieuwe stap in een echtscheidingsprocedure. Met deze hervorming wordt deze volledige familiezaak één keer ingeschreven met één keer de betaling van 100 euro voor de hele duurtijd van de zaak. Ten slotte wordt aan de bestaande vrijstellingen, vaak ingegeven door sociale redenen, niet geraakt. Enkel de arbeidsgeschillen en de belangrijke fiscale geschillen van meer dan 250.000 euro worden onder het rolrecht gebracht.

 

IV.1.2.3. Optimalisering werking Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en Verbeurdverklaring (COIV)

(Autonoom wetsontwerp, regeerakkoord, p. 131) De werking van het COIV wordt verbeterd door de verdere ingebruikstelling van een boekhoudapplicatie die de achterstand van 200 miljoen uit te splitsen massa kan wegwerken, en door het uitwerken van een wetsontwerp dat de samenwerking tussen de verschillende actoren moet verbeteren en zo tot een snellere en gerechtskostvriendelijkere afhandeling moet leiden.

  1. Het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring (COIV) staat in voor de centralisatie van gegevens inzake inbeslagneming en verbeurdverklaring en beheert de vermogensbestanddelen die in beslag genomen werden ter ondersteuning van de politie, het openbaar ministerie en de onderzoeksrechters. Sinds kort is het COIV ook bevoegd voor het uitvoeren van bankonderzoeken na veroordeling. Een koninklijk besluit is in opmaak zodat deze nieuwe bevoegdheid ook effectief kan worden uitgevoerd.
  2. Het COIV beheert aldus een bedrag van ongeveer 500 miljoen euro. Een deel van dit bedrag wordt teruggegeven aan de eigenaars na een rechterlijke uitspraak. De effectief verbeurdverklaarde sommen vloeien naar de schatkist. Deze uitsplitsing is een moeilijke oefening die een achterstand van 200 miljoen kent omdat het COIV niet over een boekhoudapplicatie beschikt die als beheersinstrument van deze sommen kon fungeren. Bovendien vergt deze centraliserende rol een goed georganiseerde samenwerking met de verschillende actoren. Daarom wordt momenteel gewerkt aan de verdere ingebruikstelling van een boekhoudapplicatie die deze achterstand kan wegwerken.
  3. Daarnaast zal een wetsontwerp worden ingediend om de samenwerking tussen de verschillende actoren te verbeteren en zo tot een snellere en gerechtskostvriendelijkere afhandeling te komen. Daarom zal het wetsontwerp voorzien in de verdere definiëring van de kennisgeving, zowel inhoudelijk (gedetailleerde beschrijving van de inbeslaggenomen goederen en identificatie van de personen ten laste van wie beslag werd gelegd) als qua termijnen. Het is de griffie die deze kennisgeving moet doen en niet meer het openbaar ministerie om het werkproces te verkorten. De FOD Financiën wordt verplicht kennisgeving te doen over alle gegevens van tenuitvoerlegging.
  4. Een aantal andere maatregelen moet het beheer van de vermogensbestanddelen vergemakkelijken: de omzetting in euro’s van gelden in andere valuta wordt mogelijk; om een efficiënte en transparante afhandeling te garanderen, worden duidelijke afspraken gemaakt over de wijze waarop gelden worden overgemaakt aan het COIV, bijvoorbeeld door het veralgemenen van de bankoverschrijving; en ook het beheer van bitcoins zal worden georganiseerd.
  5. Op de gerechtskosten wordt ingegrepen door de kosten verbonden aan het beheer van de goederen ten laste van de koper te leggen en de onderzoeksrechter te verplichten duidelijke maatregelen te bevelen wanneer de in beslag genomen goederen voer- of vaartuigen betreffen: vervreemding met zakelijke subrogatie, teruggave mits indeplaatsstelling van een geldsom of bewaring in natura.
  6. Verder wordt er aan een betere invordering gewerkt door in een Europese gegevensuitwisseling te voorzien en door de bestaande compensatie van teruggaven met belastingschulden uit te breiden naar buitenlandse schulden.
  7. Tot slot wordt de werking van het COIV geoptimaliseerd door een duidelijk statuut en een evaluatie van de directie en de ter beschikking gestelde medewerkers van andere overheidsdiensten.

 

IV.1.3. Informatisering

(Regeerakkoord, p. 124-125) De informatisering wordt reeds decennia gezien als een belangrijke hefboom om een efficiënte organisatie tot stand te brengen. Dit Justitieplan geeft aan hoe de hefboom strategisch zal ingezet worden om de doelstellingen van dit plan te helpen waar maken.

IV.1.3.1. Budgettaire meerjarenplanning ICT-justitie

(Regeerakkoord, p. 124-125) In 2015 wordt met de bestaande ICT-budgetten de basis gelegd voor belangrijke investeringen. Nadien zal worden voorgesteld om het budget substantieel te doen stijgen.

  1. In 2015 zullen belangrijke lastenboeken en aanbestedingsprocedures worden opgestart en zo mogelijk al aanbesteed zodat in de komende jaren belangrijke ICT-investeringsprojecten kunnen worden gerealiseerd, naast de concrete resultaten die op korte termijn zullen worden opgeleverd (zie lager, nrs. 285-290).
  2. In de volgende jaren zal worden voorgesteld om het reëel beschikbaar ICT-budget substantieel te verhogen. Binnen het ICT-budget zal het investeringsbudget proportioneel meer toenemen door de realisatie van besparingen binnen het operationele ICT-budget, bijvoorbeeld door schaalvoordelen die ontstaan uit samenwerking met andere overheidsdiensten en door afbouw van de historische betalingsachterstand. Daarnaast moet worden rekening gehouden met belangrijke ICT-investeringen binnen justitie die niet wegen op het ICT-budget van justitie, zoals investeringen rond het vervolgingsbeleid inzake verkeer, en verschillende investeringen in verband met authentieke bronnen en elektronische platformen die zijn toevertrouwd aan partners van justitie.

 

IV.1.3.2. Te bereiken doelstellingen voor ICT

De lange termijn strategie voor ICT plaatst het elektronisch dossier centraal en voorziet in investeringen in hardware. Bovendien wordt een concreet stappenplan uitgewerkt voor de legislatuur.
 

Het elektronisch dossier centraal

 
(Regeerakkoord, p. 125)

  1. De krachtlijnen van de lange termijn strategie ICT zijn de ontwikkeling van elektronische authentieke bronnen, de ontwikkeling van generieke bouwstenen (zoals central printing, elektronische neerlegging, databank vonnissen en arresten), en een uniformisering van de griffieapplicaties die maximaal gebruik maken van de authentieke bronnen en de generieke bouwstenen. Centraal daarin staat het elektronisch dossier. Dit omvat de uitbouw van elektronische authentieke bronnen die zowel door justitie zelf als door justitie aangestelde derde organisaties worden gerealiseerd en beheerd. Ook externe authentieke bronnen worden verbonden met de applicaties gebruikt in justitie. De diverse applicaties worden vernieuwd en generiek uitgebouwd waarbij de gemoderniseerde applicatie “MACH” en de nieuwe applicatie “NEW” die voor de rechtbanken van koophandel zal ontwikkeld worden (zie lager, nrs. 294-295) voor de griffies de standaard worden. Ze worden verbonden met de authentieke bronnen en generieke onderdelen van het ICT-systeem zoals e-Deposit (voor het neerleggen van stukken in lopend dossier, zie nr. 288), Just Scan (omzetting van papier naar elektronische drager) en central printing (omzetting van elektronische naar papieren drager)

 

ICT-hardware infrastructuur

 
(Regeerakkoord, p. 125 en 138)

  1. Tijdens deze legislatuur worden de lopende investeringen doorgetrokken en versterkt en de ontbrekende schakels ingevuld, waaronder:

 

  • de gefaseerde overbrenging van het datacenter van justitie naar en in samenwerking met de federale gecentraliseerde datacenters de komende drie jaar;
  • de verdere modernisering van de WAN- en LAN-netwerken;
  • het gebruik van het “PC@Work” project dat werd afgerond eind 2014, als stapsteen om bijkomende functionaliteiten aan te bieden aan de gebruikers;
  • de standaardisering van de telefooninfrastructuur naar analogie met het PC@Work-project;
  • de stapsgewijze invoering van het gebruik van videoconferentie, zowel voor vergaderingen als in het kader van gerechtsprocedures zoals voor de raadkamer, bij rogatoire commissies, bij contacten met de gevangenen en bij het pleiten vanuit verschillende pleitplaatsen.

 

c)       Opbouw van een concreet stappenplan voor de legislatuur

 
(Regeerakkoord, p. 125)

  1. De opbouw van een ICT-omgeving voor meer dan 50.000 intensieve gebruikers binnen justitie en bij de partners van justitie is een complexe uitdaging. De zeer grote diversiteit aan gebruikersprofielen en de noodzakelijke interoperabiliteit en integratie tussen vele verschillende systemen uit verschillende ICT-generaties vraagt om een complexe maar logisch opgebouwde roadmap voor de realisatie van de ICT-architectuur. Dit stappenplan zal zich uitstrekken over meerdere jaren en een benadering bevatten die vertrekt van de volgende bouwstenen:

 

  • de technische logica van een ICT-systeem;
  • de noodzaak om snelle budgettaire voordelen te behalen;
  • de mogelijkheden van uitrol van onderdelen die leiden tot een werklastvermindering;
  • de toepassing van de strategie inzake kerntakenanalyse en procesverbetering;
  • de modernisering van het wettelijke kader;
  • het overleg met de gebruikers;
  • de maatschappelijke behoeften.Bij een dergelijke omwenteling is het veranderingsmanagement een cruciale succesfactor. Daarom zal het stappenplan tevens een communicatiestrategie en opleidingsaanpak bevatten. Het stappenplan zal in overleg met de vertegenwoordigers van de diverse gebruikersgroepen, waaronder die van de rechterlijke orde, worden uitgewerkt.

 

IV.1.3.3. Maatregelen op korte termijn

(PP I, III, regeerakkoord, p. 125) Door te focussen op de toepassing en de afwerking van de bestaande projecten wordt gezorgd voor een snelle impact op korte termijn. Daarmee wordt in 2015 de omslag naar elektronische communicatie in de wereld van justitie gerealiseerd.

  1. Op korte termijn, dat wil zeggen in 2015 en 2016, wordt de nadruk gelegd op de realisatie van de elektronische communicatie binnen de justitiële wereld en met de buitenwereld en op de opstart van de beoogde informatisering via de rechtbanken van koophandel. Hierna wordt ingegaan op (a) het e-Box project, (b) e-Depot, (c) e-Deposit, (d) e-PV en (e) een databank van vonnissen en arresten.

 

e-Box project
  1. Samen met de invoering van de wettelijke basis wordt in 2015 het e-Box-project voor justitie uitgevoerd. Dit laat toe dat alle gerechtelijke instanties en de advocaten, gerechtsdeurwaarders en notarissen, onderling met elkaar elektronisch communiceren. Hiermee worden grote besparingen op terugkerende kosten en werklastverminderingen gerealiseerd door alle betrokken partners. De mate en de snelheid waarmee de voordelen worden bekomen, zal vooral afhangen van de snelheid waarmee de gewoonte om op papier te communiceren wordt vervangen door de elektronische. Immers zullen gedurende een overgangsperiode beide communicatiemodi (papier en elektronisch) naast elkaar bestaan. Daarna zal de elektronische communicatie verplicht worden en de papieren enkel nog als mogelijkheid blijven bestaan voor de gevallen van overmacht.

 

e-Depot: elektronische neerlegging van vennootschapsakten en rechtspersonen

 

  1. Er wordt voorzien in de elektronische neerlegging van akten van vennootschappen en rechtspersonen. Dit project, dat reeds jaren geleden werd opgestart, wordt in de komende twee jaar afgewerkt. Vanaf 1 januari 2016 zal de elektronische neerlegging voor de vennootschapsakten verplicht worden gemaakt. In 2016 volgt de afwerking van het project voor de niet-vennootschappelijke rechtspersonen. Ten opzichte van de algemene communicatie via het e-Box-project biedt een dergelijk geïntegreerd project veel extra voordelen, waaronder de automatische voeding van het Belgisch Staatsblad, het elektronisch archief van de vennootschapsdossiers en de Kruispuntbank voor Ondernemingen (KBO). Het maakt ook de consultatie van de vennootschapsdossiers online mogelijk. Dit project zal een aanzienlijke werklastvermindering realiseren in de griffies van de rechtbanken van koophandel.

 

e-Deposit: elektronische neerlegging van conclusies
  1. De elektronische neerlegging van conclusies is de opstap naar het elektronisch dossier. Het zal worden toegepast in alle rechtbanken van koophandel (zie lager, nrs. 294-295), en vervolgens in alle rechtbanken. Ook dit project biedt bijkomende voordelen ten opzichte van de communicatie per e-Box. De mogelijkheid die hierbij ontstaat om elektronisch documenten (waaronder conclusies) neer te leggen in een bestaand dossier, zal na uitrol, verdiept worden met het neerleggen van documenten door andere actoren in een nieuw dossier.

 

e-PV: elektronische communicatie van processen-verbaal vanuit andere overheidsdiensten naar justitie
  1. Het overmaken van processen verbaal naar het parket vanuit andere overheidsdiensten (politie, sociale zekerheid, enzovoort) vormen een belangrijke communicatiestroom. Nu deze pv’s steeds meer elektronisch worden aangemaakt, moeten deze ook elektronisch ontvangen kunnen worden door de parketten. In de komende twee jaar zal dit gerealiseerd worden zodat niet enkel de teksten maar ook de meta-gegevens en meer vertrouwelijke informatie elektronisch kan doorgegeven worden. We zullen deze technologie ook gebruiken om de PV’s, die binnen justitie worden opgemaakt door de onderzoeksrechters, elektronisch op te maken.

 

Databank vonnissen en arresten
  1. Een databank voor vonnissen en arresten (gekend als “VAJA”) werd opgericht, maar moet nog verder worden gevoed. De onmiddellijke en elektronische aflevering van de kopieën en afschriften van vonnissen aan de advocaten, gerechtsdeurwaarders en notarissen wordt gerealiseerd, in samenhang met het e-Box project.

 

IV.1.3.4. Informatisering rechtbanken van koophandel

(PP I, III, regeerakkoord, p. 124-125) De rechtbanken van koophandel zullen als piloot dienen voor de verdere informatisering van alle hoven en rechtbanken. De nieuwe procedure van ingereedheidbrenging, zoals beschreven in hoofdstuk III krijgt hier een eerste toepassing, ondersteund door een aangepaste ICT-applicatie.

  1. De rechtbanken van koophandel zullen als piloot dienen voor de verdere informatisering van alle hoven en rechtbanken. Daarbij worden (a) een aantal beheersopdrachten overgedragen aan derden, (b) worden procedures vereenvoudigd en ondoeltreffende taken afgeschaft, en (c) worden de informatiseringprojecten toegepast in de rechtbanken van koophandel.

 

Overdracht van een aantal beheersopdrachten aan derden
  1. Het beheer en de loketfunctie voor de vennootschapsdossiers kan na informatisering worden samengebracht. De opdracht voor het beheer van de elektronische faillissementsdossier kan overgedragen worden aan de balieverenigingen waarbij hen de opdracht wordt gegeven om het gehele proces verder te informatiseren. De opsporing van de knipperlichten voor het handelsonderzoek wordt geïnformatiseerd vanuit de beslagberichtendatabank die reeds over gestructureerde informatie beschikt.

 

Vereenvoudiging procedures en afschaffing ondoeltreffende taken
  1. In afwachting van de vernieuwing van het Wetboek van economisch recht worden naast de algemene maatregelen tot werklastvermindering, een aantal procedures eigen aan de rechtbanken van koophandel vereenvoudigd en ondoeltreffende taken afgeschaft:

 

  • de vorderingen tot gerechtelijke reorganisatie, tot faillietverklaring en vorderingen tot intrekking van een reorganisatieplan en tot sluiting van een faillissement, moeten niet meer meegedeeld worden aan het openbaar ministerie;
  • de termijnen tussen de aanvullende processen-verbaal van verificatie van schulden worden verlengd om hun aantal te verminderen;
  • de mogelijkheid om een afschrift van de jaarrekeningen op te vragen bij de griffies van de rechtbanken van koophandel wordt opgeheven aangezien ze elektronisch opvraagbaar zijn bij de Nationale Bank van België (NBB);
  • de invoering van het betalingsbevel voor niet-betwiste facturen zal de bijkomende werklastdruk die op de griffies van koophandel is ontstaan na de wet natuurlijke rechter aanzienlijk doen afnemen.

 

Informatisering van de rechtbanken van koophandel
  1. De hoger vermeld informatiseringprojecten worden in de loop van 2015 toegepast in de rechtbanken van koophandel. De oude applicatie “TCKH” wordt vervangen door een applicatie van de huidige generatie met als werknaam “NEW 1.0”, met dezelfde functionaliteiten. In de loop van 2016 zal deze “NEW 1.0” worden vervangen door “NEW 2.0” waarbij functionaliteiten inzake workflow, samenvoeging en analyse voor operationele, werklastmetings-, beleids- en wetenschappelijke doeleinden worden toegevoegd. Door het nieuwe technologisch platform zal het mogelijk zijn de applicatie in overeenstemming met de ICT-architectuur te verbinden met de generieke ICT-componenten.
  2. De invoering van de NEW 2.0 gaat gepaard met de invoering van de nieuwe burgerlijke procedure voor de ingereedheidbrenging (zie hoger, nrs. 65-66) die in een eerste fase van toepassing zal worden gemaakt in de rechtbanken van koophandel. Het onderdeel workflow van NEW 2.0 zal de nodige specifieke ondersteuning bieden aan deze nieuwe procedure om tot een maximale efficiëntie te komen voor alle betrokkenen. Na de realisatie in 2015 en gedeeltelijk in 2016 in de rechtbanken van koophandel, zal de informatisering verder worden doorgetrokken naar de andere hoven en rechtbanken.

 

IV.1.3.5. Medewerking juridische beroepen

(PP IV, regeerakkoord, p. 126-127) De justitiële dienstverleners, zoals advocaten, gerechtsdeurwaarders, notarissen en deskundigen worden actief betrokken bij de verdere uitbouw van een aantal informatiseringprojecten en de realisatie van de noodzakelijke cultuuromslag.

  1. In 2015 en 2016 wordt sterk ingezet op een actieve medewerking van de juridische beroepen en dienstverleners bij de informatisering van justitie. De meeste zijn reeds jaren actief op de digitale snelweg en zijn verder gevorderd in de cultuuromslag en de uitbouw van informaticasystemen. Ook participeerden zij eerder met succes bij een aantal informatiseringprojecten, zoals bij de uitvoering van de Salduz-wet, de beslagberichtendatabanken, het Centraal register voor testamenten, enzovoort.
  2. Concreet worden zij opnieuw actief betrokken bij de uitbouw van een aantal informatiseringprojecten die in 2015 en 2016 moeten gerealiseerd worden, zoals:
  • de centralisering van het informaticasysteem voor het beheer van de pro deo dossiers, de faillissementsdossiers en collectieve schuldenregelingen;
  • de databank onbekwamen en de databank Europese erfrechtverklaringen;
  • de databank achterstallige onderhoudsvorderingen en de knipperlichtenmonitor;
  • de deskundigen- en tolkendatabank.

 

IV.1.4. Infrastructuur en gebouwen moderniseren

  1. De FOD Justitie is zoals andere overheidsdiensten onderworpen aan de algemene bezettingsnormen uitgevaardigd door de regering op initiatief van de Regie der Gebouwen. In het bijzonder gaat het over de veralgemeende toepassing van de norm van 13,5 m² per medewerker en om de bevordering van het zogenaamde new way of working (telewerk, landschapsbureaus en dergelijke). Deze principes kunnen ook bij justitie bijdragen aan besparingen. De norm gaat echter niet helemaal op voor de gevangenissen en de gerechtsgebouwen. Voor de gevangenissen wordt er per project een behoefteprogramma opgemaakt met specifieke eisen en oppervlakten. Voor de gerechtsgebouwen kunnen er een aantal extra m² voorzien worden gezien de uitoefening van de specifieke functies binnen justitie.
  2. Hieronder worden een aantal maatregelen voorgesteld die specifiek betrekking hebben op justitie. Het gaat over (IV.1.4.1) de modernisering van de penitentiaire infrastructuur, (IV.1.4.2) het gebruik van alternatieve financieringsmethoden, (IV.1.4.3) het masterplan voor de gerechtsgebouwen, en (IV.1.4.4) de veiligheid van de gebouwen.

 

IV.1.4.1. Modernisering penitentiaire infrastructuur

(Regeerakkoord, p. 136) Het Masterplan voor een gevangenisinfrastructuur in humane omstandigheden voor de periode 2008-2012-2016 wordt tegen de zomer van 2015 aangepast om rekening te houden met de actuele ontwikkelingen inzake overbevolking, verouderde infrastructuur en de stopzetting van de celcapaciteit in Tilburg tegen eind 2016.

  1. Tijdens de voorgaande regeerperioden werd een Masterplan goedgekeurd dat een actieplan uittekent voor een gevangenisinfrastructuur in humane omstandigheden voor de periode 2008-2012-2016. Dit Masterplan werd herhaaldelijk verder uitgewerkt, aangepast en aangevuld.Het plan bevatte vijf grote actiepunten:
  • een renovatieprogramma voor het herstel van verloren capaciteit (quick wins);
  • de bouw van bijkomende cellen op bestaande sites om de overbevolking op te vangen;
  • de bouw van zeven nieuwe inrichtingen voor het opvangen van de stijgende behoefte, en het voorzien van een buffercapaciteit zodat we oude inrichtingen in veilige omstandigheden kunnen renoveren;
  • de bouw van zes nieuwe inrichtingen ter vervanging van sterk verouderde inrichtingen;
  • een inhaalprogramma voor renovatie dat zorgt voor veilige en humane leefomstandigheden.Onmiddellijk na de goedkeuring van het plan werd gestart met de uitvoering ervan.
  1. In het regeerakkoord staat duidelijk vermeld:

“De regering zal de masterplannen gevangenissen I en II onverkort uitvoeren. Masterplan III zal worden geëvalueerd en zo nodig aangepast. Na evaluatie, gerealiseerd door de samenwerking van de FOD Justitie en de Regie der Gebouwen en rekening houdend onder meer met de precieze staat van de gevangenis en hun soort populatie, zal de uitwerking van een nieuw langetermijnbeleid worden aangevat. Dit kan zowel de renovatie, vervanging als uitbreiding van de bestaande gevangenisinfrastructuur, als mogelijke open- en halfopen initiatieven bevatten.”

  1. Het bijbouwen van gevangenisinfrastructuur is daarbij noodzakelijk, zeker gelet op het uitdrukkelijke voornemen om een einde te stellen aan het huren van cellen in het buitenland. Het plan gaat uit van de cijfers, rekening houdend met een stopzetting van de gevangeniscapaciteit te Tilburg tegen eind 2016.
  2. Zowel de uitbreiding als de renovatie van de gevangenissen dient verder gezet te worden via de uitvoering van het bestaande Masterplan. Een bijzondere aandacht gaat hier naar de verdere en prioritaire uitvoering van de projecten te Haren, Dendermonde en Merksplas. Daarnaast zijn er nog een aantal kleinere projecten van renovatie of uitbreiding op site, zoals in Leuven of in Hoogstraten.
  3. Maar dit Masterplan is geen statisch gegeven en dient, net zoals in het verleden, regelmatig aangepast te worden teneinde rekening te houden met actuele ontwikkelingen.
  4. De overbevolking in de gevangenissen blijft een probleem. Ook al is het percentage het afgelopen jaar sterk gedaald vanwege de uitvoering van masterplan I en II. Daarnaast blijft men in sommige inrichtingen kampen met de problemen die te maken hebben met de verouderde infrastructuur.
  5. DezeDeze aangepaste versie van het masterplan, het zogenaamde ‘Masterplan III’ wil hier een antwoord op bieden. Hierin zal een aangepaste inventaris van infrastructuurprojecten terug te vinden zijn alsook een duidelijke differentiatie in deze infrastructuurprojecten met ook aandacht voor specifieke doelgroepen, geïnterneerden en beperktere vormen van detentie. Zo worden er projecten voorzien te Leopoldsburg en Verviers, en worden Aalst en Oostende verder bestudeerd als vestigingsplaatsen. Deze projecten zullen voor de zomer aan de ministerraad worden voorgelegd, waarbij ook de afweging wordt gemaakt wat de meest gunstige realisatie- en financieringsvorm is.
  6. Tot slot vormt een belangrijk onderdeel de inzet op meer moderne technologieën binnen de inrichtingen. Bij renovaties en nieuwbouw dient hier maximaal op te worden ingezet. Hierbij wordt onder meer gedacht aan het gebruik van telefoniebekabeling in de cel. Bij dit laatste project zal via de Regie van de Gevangenisarbeid een overheidsopdracht worden gelanceerd inzake de uitbouw van een beveiligd telefoniesysteem voor gedetineerden, waarmee een basis kan worden gelegd voor het beveiligd en gecontroleerd aanbieden van ICT-diensten aan gedetineerden. Dit zal leiden tot de integratie van “PrisonCloud” in alle inrichtingen en levert voordelen op voor het personeel, de gedetineerden en de betrokken families. Het zal onder meer leiden tot minder bewegingen binnen de gevangenis en minder transporten doordat gedetineerden hun dossier in de cel kunnen inkijken.

 

IV.1.4.2. Gebruik alternatieve financieringsvormen

(Regeerakkoord, p. 136 en 184-185) Bij de verdere uitbouw van de gevangeniscapaciteit zal telkens een grondige afweging worden gemaakt tussen klassieke en alternatieve financiering en voor het deel van de terbeschikkingstellingsvergoeding die ten laste valt van justitie.

  1. Tegen het eind van de legislatuur zou het aandeel van de alternatieve financieringen verdubbelen. Het regeerakkoord stelt echter dat er een betere afweging moet gebeuren tussen klassieke en alternatieve financiering bij elk nieuw contract. Bij elke beslissing over een nieuw project zal een grondige afweging worden gemaakt voor zowel de financieringsvorm (klassiek dan wel alternatief gefinancierd) als het luik van de terbeschikkingstellingsvergoeding die ten laste valt van justitie (vergelijking tussen kost in DBFM gevangenis en klassiek gefinancierde gevangenis).
  2. De huidige DBFM – contracten zijn onderhandeld voor de huisvesting van een stabiel aantal gedetineerden en/of geïnterneerden. Bij overschrijding van de maximum bezetting gelden boetebedingen. In geval van onderbezetting is er een beperkte kostenreductie. In 2015 stelt zich bovendien het probleem dat ingevolge de lineaire besparingen extra middelen moeten worden gevonden om de contractuele verplichtingen te kunnen nakomen. Het is aangewezen de DBFM gevangenissen ten volle te benutten zonder boetebeding, de nodige kredieten toe te wijzen om de contractuele verbintenissen te kunnen nakomen en te onderzoeken in hoeverre gebruik gemaakt kan worden van de mogelijkheid om na 5 jaar de catering, was en huisvuilregeling los te koppelen van de DBFM contracten.

 

IV.1.4.3. Masterplan gerechtsgebouwen

(PP III, regeerakkoord, p. 126) In het Masterplan voor de gerechtsgebouwen, dat tegen het einde van 2015 aan de ministerraad wordt voorgelegd, zal het grote aantal gerechtsgebouwen voorwerp uitmaken van een grondige rationalisatieoefening, die op termijn moet leiden tot een aanzienlijke vermindering van het aantal zittingsplaatsen en een meer gecentraliseerd gebouwenbeheer.

  1. Ons land telt meer dan 300 gebouwen ten behoeve van de gerechtelijke diensten. Dit aantal is zeer hoog, zeker als men het vergelijkt met andere landen, zoals bijvoorbeeld Nederland waar men voor de gerechtelijke diensten een dertigtal gebouwen beheert. Er volgt een grondige rationalisatieoefening die op termijn moet leiden tot een aanzienlijke verlaging van het aantal zittingsplaatsen. Dit zal tot een efficiëntere aanwending van de middelen leiden en tot een betere werkomgeving voor magistraten en personeel. Een deel van de gerechtsgebouwen is immers verouderd en niet meer aangepast aan de normen voor een moderne justitie. Ook voor rechtzoekenden zal dit meer duidelijkheid bieden. Ook het aantal vredegerechten zal dalen. Dit wordt verder in detail omschreven (zie lager, nrs. 319-322). Om de toegankelijkheid voor de burger te garanderen blijft er wel een mogelijkheid tot het behouden van zittingen op andere locaties “sous l’arbre”, zoals bijvoorbeeld in een gemeentehuis. Een zelfde oefening zal worden gemaakt voor de politierechtbanken.
  2. Binnen de FOD Justitie is er geen centraal infrastructuurbeleid. Het gebouwenbeheer is momenteel opgedeeld over verschillende diensten, en concentreert zich vooral rond de twee grote onderdelen, namelijk het directoraat-generaal rechterlijke organisatie voor de gerechtelijke gebouwen en het directoraat-generaal penitentiaire inrichtingen. Naar analogie met de herstructurering die binnen de FOD Financiën werd uitgevoerd en rekening houdende met de invoering van een nieuw beheermodel binnen de rechterlijke orde (zie lager, nrs. 350-384), zal een oefening worden gemaakt met betrekking tot de middelen, organisatie en het meest aangewezen beheerniveau. Wil men een versnippering van krachten en kredieten vermijden, dan is een centralisatie en rationalisering nodig. Wat betreft de gebouwen van de rechterlijke orde kan dit eventueel georganiseerd worden, deels op niveau van de op te richten gemeenschappelijke beheersdienst, deels op het niveau van de rechtsgebieden van de hoven van beroep.
  3. Er wordt een algemeen masterplan voorbereid met volgende aspecten:

–       rationalisatieoefening van het gebouwenpark; –       uitwerking beheer op infrastructureel en logistiek niveau per ressort; –       lopende en toekomstige renovatieprojecten; –       lopende en toekomstige nieuwbouwprojecten; –       project vredegerechten; –       globaal veiligheidsbeleid; –       aandacht voor andere punten zoals: onderhoud gebouwen, facilitair beheer gebouwen, opslag archieven en overtuigingsstukken, enzovoort. Het masterplan gerechtsgebouwen zal tegen eind 2015 klaar zijn, waarna het een uitvoeringstermijn zal kennen van 10 jaar. Op deze termijn moet een hergroepering van sites mogelijk zijn.

IV.1.4.4. Veiligheid gebouwen

(Regeerakkoord, p. 126) Voor de gerechtsgebouwen wordt het bestaande veiligheidsconcept in het kader van het Masterplan verder uitgewerkt. Tegen eind 2015 zal de FOD Justitie voor gerechtsgebouwen en de penitentiaire inrichtingen bij de grote of nieuwe installaties volledig zelf instaan voor het beveiligingsconcept en de opmaak van het technisch bestek.

  1. Binnen justitie en haar gebouwen vormt veiligheid een belangrijke prioriteit. Voor de gevangenissen zijn er reeds zeer strikte maatregelen en regels. Ook voor de gerechtsgebouwen bestaat er een veiligheidsbeleid dat gebaseerd is op een concept waarbij de veiligheid in en om gerechtsgebouwen in functie van een steeds verrichte risicoanalyse gebaseerd zal zijn op de integratie van drie basiselementen, namelijk organisatie, bouwfysica en elektronische hulpmiddelen. Bovendien zal worden gewerkt aan een uitgebreid algemeen veiligheidsbeleid, wat mee geïntegreerd zal worden in het globaal masterplan gerechtsgebouwen. Er wordt een nieuwe structuur uitgetekend waarbij elk arrondissement een veiligheidsfunctionaris zal krijgen die allen samen, en aangestuurd vanuit een centrale dienst, een globale veiligheidsopvolging zullen garanderen.
  2. De in 2012 goedgekeurde bij-akte bij het administratief reglement van de Regie der Gebouwen gaat uit van het principe dat het plaatsen van nieuwe installaties, grote uitbreidingen of integrale vernieuwingen ten laste blijven van de Regie der Gebouwen. Daarnaast zijn kleine herstellingen, selectieve vervangingen en vernieuwingen, kleine uitbreidingen en updates ten laste van de FOD Justitie. Bij de grote of nieuwe installaties zal de FOD Justitie eveneens instaan voor het beveiligingsconcept en voor de opmaak van het technisch bestek. Momenteel zit dit in een overgangsfase, en is er nog ondersteuning vanuit de Regie der Gebouwen. Tegen eind 2015 moet justitie deze taak volledig op zich kunnen nemen. Dit moet de dagdagelijkse veiligheid en efficiëntie verhogen.

IV.2. Beheer en personeel van de rechterlijke orde

  1. In dit deel wordt ingegaan op het beheer en het personeelsbeleid van de rechterlijke orde. Vooreerst (IV.2.1) worden een aantal maatregelen besproken die gericht zijn op het efficiënter maken van werkprocessen en van de rechtscolleges. Ten tweede (IV.2.2) wordt het personeelsbeleid binnen de rechterlijke orde besproken. Ten derde (IV.2.3) wordt de omschakeling naar beheersautonomie toegelicht.

IV.2.1. Moderne werkprocessen en efficiënte rechtscolleges

(Regeerakkoord, p. 124)

  1. Hieronder wordt toelichting gegeven bij (IV.2.1.1) diverse maatregelen die de werkprocessen efficiënter maken, (IV.2.1.2) maatregelen om de efficiëntie bij de verdeling van zaken, de regeling van incidenten en de organisatie van zittingen te verbeteren, (IV.2.1.3) de herschikking van de gerechtelijke kantons, en (IV.2.1.4) de eenheidsrechtbank.

IV.2.1.1. Efficiëntere werkprocessen

  1. Er worden diverse maatregelen genomen om de werkprocessen te moderniseren en efficiënter te maken:

(PP III / regeerakkoord, p. 122 en 124)

  • Elektronische wervingsprocedures: wervingsprocedures voor magistraten worden naar analogie met deze voor gerechtspersoneel vereenvoudigd en versneld door het gebruik van gewone post in plaats van aangetekende zendingen en door de elektronische procedure en verzendingen te veralgemenen bij opgave van een e-mailadres door een kandidaat. Verder wordt het principe van de eenmalige mededeling van stukken geïntegreerd.
  • Focus op kerntaken: het directoraat-generaal rechterlijke orde van de FOD Justitie is belast met de ondersteuning van de rechterlijke organisatie, en zal diensten die niet tot haar kernopdracht behoren afstoten. Zo wordt voorgesteld om de organisatie van taalexamens voor notarissen en gerechtsdeurwaarders, zoals deze voor magistraten, over te dragen aan Selor. Ook de administratieve ondersteuning van commissies waarin magistraten zetelen zal worden beperkt.
  • Juridische ondersteuning parketjuristen uitbreiden: de korpschef van een parket zal voortaan een aantal van zijn bevoegdheden in de afhandeling van juridische dossiers overeenkomstig de richtlijnen van het college van procureurs-generaal kunnen delen met parketjuristen die deze uitoefenen onder zijn gezag en toezicht.
  • Beheer zetels en afdelingen versoepelen: op advies van de korpschefs en het openbaar ministerie zullen de zetels en/of afdelingen van alle rechtscolleges soepeler en op tijdelijke basis kunnen worden overgeplaatst in geval van overmacht of in functie van de behoeften van de dienst, voor zover dit zich ook inschrijft in het algemene gebouwenbeleid en de rationalisering uitgetekend in het masterplan gerechtsgebouwen (zie hoger, nrs. 310-312).

IV.2.1.2. Efficiëntie bij verdeling zaken, regeling van incidenten en organisatie van zittingen

(PP III / regeerakkoord, p. 122) Op vraag van de rechterlijke orde worden interne procedures voor de toewijzing van zaken en het regelen van incidenten versoepeld zodat de korpschefs binnen hun rechtscolleges zaken flexibeler kunnen beheren.

  1. De korpschefs krijgen de mogelijkheid om hun werking efficiënter en flexibeler te organiseren door de volgende maatregelen:
  • Vereenvoudiging van de procedure voor verdelingsincidenten: de bestaande procedure voor verdelingsincidenten bij toepassing van het bijzonder reglement wordt efficiënter gemaakt, onder meer door het advies van het openbaar ministerie weg te laten en door de mogelijkheid voor partijen om een memorie in te dienen facultatief te maken. Deze procedure wordt eveneens van toepassing gemaakt op de regeling van incidenten tussen afdelingen bij toepassing van het zaakverdelingsreglement.
  • Verdeling zaken over kamers van andere afdelingen: de voorzitters krijgen de mogelijkheid zaken ook toe te wijzen aan een kamer met dezelfde bevoegdheid in een andere afdeling van het rechtscollege.
  • Schrapping lijst exclusieve bevoegdheden afdeling in burgerlijke en strafzaken: op uitdrukkelijke vraag van de rechterlijke orde wordt de lijst geschrapt van bevoegdheden waarvoor een afdeling in burgerlijke zaken en strafzaken exclusief bevoegd kan worden gemaakt via het zaakverdelingsreglement.
  • Organisatie vakantiezittingen vredegerechten en politierechtbanken: de voorzitters van de vrederechters en rechters in de politierechtbank krijgen de mogelijkheid om gedurende het gerechtelijk verlof vakantiezittingen te voorzien in hun rechtbanken.

IV.2.1.3. Gerechtelijke kantons herschikken

(PP III, autonoom wetsontwerp / regeerakkoord, p. 124) Met het oog op een betere werklastverdeling tussen de vredegerechten zal ernaar worden gestreefd om het aantal vredegerechten op gefaseerde wijze aanzienlijk te verminderen.

  1. België kent in totaal 187 vredegerechten met 229 zetels. Het regeerakkoord, daarin gesteund door vragen vanuit de rechterlijke orde, voorziet in een hertekening van de gerechtelijke kantons om te komen tot een betere werklastverdeling tussen de vredegerechten. Dit zal gebeuren op basis van een plan in drie fasen, waarbij tevens de nodige wetsaanpassingen zullen worden voorgesteld.
  2. Een eerste fase in 2015 betreft de centralisering naar één zetel voor de kantons met twee of meer zetels. Het betreft 35 kantons waar in totaal 76 zetels zijn. Er wordt gestart met die kantons waar er problemen zijn inzake huisvesting of waar de gerechtelijke overheden zelf vragende partij zijn. De besparingen zijn substantieel: naast tijdsbesparingen voor vrederechters en personeel ingevolge het wegvallen van verplaatsingen tussen de verschillende zetels, is er ook een rationalisering op het niveau van het aantal griffies, onthaal en onderhoud. De jaarlijkse besparing op de personeelskost wordt geschat op 465.000 euro, deze voor werkingskosten op 350.000 euro. Daarnaast zijn er de besparingen op vlak van infrastructuur ingevolge verkoop van gebouwen, opzegging huurcontracten en het niet-uitvoeren van geplande renovaties. Deze besparingen komen ten goede van de Regie der Gebouwen.
  3. In 2015 wordt in een tweede fase bekeken of een groepering mogelijk is van kantons binnen stedelijke gebieden die aan elkaar grenzen en/of reeds in hetzelfde gebouw huizen. Dit onderzoek zal uitwijzen of we deze kunnen fuseren tot telkens één vredegerecht, waar telkens verschillende magistraten-vrederechters in verschillende kamers actief zijn.
  4. Tot slot zal in een derde fase conform het regeerakkoord de kaart zelf van de gerechtelijke kantons worden hertekend om zo te komen tot een betere werklastverdeling zonder de nabijheid van justitie voor de burger in het gedrang te brengen. Dit zal gebeuren op basis van een rondvraag en in overleg met de vredegerechten en alle andere betrokken actoren. Ook de resultaten van de werklastmeting zullen hierin worden meegenomen. Ook zal de mogelijkheid worden voorzien om zittingen te houden op andere locaties “sous l’arbre”, zoals bijvoorbeeld in een gemeentehuis.

 

IV. 2.1.4. Eenheidsrechtbank

(Regeerakkoord, p. 122)

  1. Conform het regeerakkoord wordt een proefproject opgestart waarbij een eenheidsrechtbank wordt gerealiseerd die de rechtbanken van koophandel, arbeidsrechtbank en rechtbank van eerste aanleg groepeert. Doel is na te gaan in welke mate een meer doorgedreven jurisdictionele en beheersmatige integratie met behoud van specialisatie kan bijdragen tot een eenvoudiger toegang en snellere afhandeling voor de burger en een efficiëntere werk- en personeelsverdeling voor de rechtbank. De piloten zullen in overleg met het College van hoven en rechtbanken worden geselecteerd.

 

IV.2.2. Efficiënt personeelsbeleid

(Regeerakkoord, p. 122)

  1. Hieronder worden maatregelen besproken die moeten leiden tot een efficiënt personeelsbeleid. Er wordt achtereenvolgens ingegaan op (IV.2.2.1) de problematiek van de vergrijzing, (IV.2.2.2) de boordtabellen, (IV.2.2.3) de mobiliteit van magistraten en gerechtspersoneel, (IV.2.2.4) langer werken, (IV.2.2.5) expertise behouden en (IV.2.2.6) diverse maatregelen rond de magistraten en het gerechtspersoneel.

 

IV.2.2.1. Vergrijzing tijdig opvangen

Uit de leeftijdspyramides blijkt dat de rechterlijke orde op korte termijn een groot verloop zal kennen ingevolge de vergrijzing. Deze is het grootst bij de magistratuur – 50% is ouder dan 50 jaar – maar ook bij het gerechtspersoneel weegt dit op termijn door met nu reeds 43% van de griffiers en parketsecretarissen die ouder zijn dan 50 jaar. Om dit binnen de huidige budgettaire context proactief te helpen opvangen, worden ondersteunende maatregelen voorzien rond een flexibeler personeelsbeleid, langer werken, het pensioen, het behoud van expertise, het statuut en de vorming.

 

Magistratuur
  1. De vergrijzing is het grootst bij de magistratuur, zoals uit de onderstaande tabel blijkt.

Tabel 2

 

  1. Globaal gezien is 50 % van de magistraten ouder dan 50 jaar, 36 % is ouder dan 55 jaar en 18 % is ouder dan 60 jaar. Voor wat de zetel betreft, is 60 % van de magistraten van de zetel (of 960 op 1598) ouder dan 50 jaar, 43 % is ouder dan 55 jaar en 23 % is ouder dan 60 jaar.
  2. Uitgezonderd bij het Hof van Cassatie (waar een leeftijdsgrens van 70 jaar geldt en het aantal 50-plussers 93 % bedraagt voor de zetel en 100 % voor het openbaar ministerie), de hoven van beroep en de arbeidshoven (waar de magistraten doorgaans ouder zijn, rekening houdend met de vereiste ervaring), is de leeftijdsgebonden opstapproblematiek het meest acuut in de politierechtbanken (> 50 jaar: 83 %; > 55 jaar: 68 %; > 60 jaar: 38 %) en de vredegerechten (> 50 jaar: 87 %; > 55 jaar: 70 %; > 60 jaar: 47%).
  3. Voor wat het openbaar ministerie betreft, is slechts 30 % van de magistraten van het openbaar ministerie (of 254 op 845) ouder dan 50 jaar, 21 % is ouder dan 55 jaar en 9 % is ouder dan 60 jaar.
  4. Er moet ook bijzondere aandacht uitgaan naar de samenhang met de bestaande mogelijkheid tot een oppensioenstelling vóór de leeftijdsgrens van 67 jaar (70 % in 2011, 65 % in 2012, 51 % in 2013 en 62 % in 2014).

 

b)      Gerechtspersoneel
  1. Ook bij het gerechtspersoneel stelt zich de problematiek van de vergrijzing, zoals blijkt uit de volgende tabel:

 

Griffiers Secretarissen Assistenten
<25 7 <25 2 <25 49
25-29 69 25-29 54 25-29 216
30-34 132 30-34 56 30-34 232
35-39 158 35-39 86 35-39 205
40-44 263 40-44 86 40-44 282
45-49 294 45-49 128 45-49 311
50-54 273 44% 50-54 116 42% 50-54 295 32%
55+ 456 27% 55+ 186 26% 55+ 322 17%
1652 714 1912

>50 = 43%

>55 = 26,5%

 

  1. De verhouding griffiers en secretarissen die ouder zijn dan 50 jaar loopt gelijk met het niveau bij het Belgisch federaal openbaar ambt. Thans vertegenwoordigt de generatie van personen die ouder zijn dan 50 jaar immers 44 % van het personeel (alle niveaus samen). Hoewel die verhoudingen minder problematisch zijn dan de verhoudingen op het niveau van de magistratuur, betekent dat wel dat in de komende vijftien jaar 2/5 van de griffiers en secretarissen – én hun expertise – de rechterlijke orde zullen verlaten.
  2. De combinatie van natuurlijke afvloeiingen met besparingsmaatregelen waardoor vacante plaatsen niet worden gepubliceerd, moet goed worden omkaderd om grote problemen inzake de continuïteit van de dienstverlening te vermijden op die rechtbanken en parketten waar de personeelsbezetting nu al zeer laag is.

 

IV.2.2.2. Boordtabellen voor magistraten en gerechtspersoneel

 

Voor de personeelsapplicaties van de rechterlijke orde wordt een business intelligence (BI)-rapportering ontwikkeld om actueel over de personeelsevolutie te kunnen rapporteren en deze adequaat te kunnen monitoren op de verschillende beheerniveaus.

 

  1. Een goed personeelsbeheer vereist een uniforme en actuele rapportering inzake aantal personeelsleden, vacatures, vertrekkers, benoemingen, verdeling over zittingsplaatsen, enzovoort. Om historische redenen is het personeelsbeheer van de rechterlijke orde binnen de FOD justitie ondergebracht in twee afzonderlijke diensten, één voor de magistraten en één voor het gerechtspersoneel. Het beheer gebeurt in een eigen ontwikkelde applicatie “Person”, die beperkt is inzake automatische rapportering.
  2. Ingevolge de hervorming van het beheer zijn er nieuwe rapporteringsnoden bij de colleges en directiecomités. In 2015 zal rond de bestaande personeelsapplicaties een business intelligence (BI)-omgeving worden ontwikkeld voor de personeelsgegevens van de FOD Justitie én de rechterlijke orde. In een eerste fase zal dit een antwoord bieden op de rapporteringsbehoeften van de minister, het directiecomité van de FOD Justitie en het gemeenschappelijk beheerscomité waarin ook de rechterlijke orde zetelt. In een volgende fase wordt dit aangevuld met de rapporteringsbehoeften van de colleges, de directiecomités en de korpschefs.

 

IV.2.2.3. Een sterkere mobiliteit van magistraten en gerechtspersoneel

 

(PP III) Zowel voor de magistraten als voor het gerechtspersoneel wordt voorgesteld om, waar nodig in overleg met het College van hoven en rechtbanken, het College van het openbaar ministerie en de representatieve vakorganisaties, de flexibiliteit te vergroten, door tijdelijke delegatie zowel binnen (“interne mobiliteit”, zonder toestemming) als buiten (“externe mobiliteit”, met toestemming) het eigen rechtscollege, parket of rechtsgebied verder uit te breiden. Dit moet toelaten proactief in te spelen op structurele en tijdelijke noden inzake input en werklast ingevolge vergrijzing, bevoegdheidswijzigingen, vacatures, afwezigheden, budgetrestricties, enzovoort.

 

Interne mobiliteit (zonder toestemming)

 

  1. Voor de politierechters zal de basisbenoeming op het niveau van het arrondissement voortaan worden gecombineerd met een subsidiaire benoeming in de andere politierechtbanken van het ressort. Daardoor kunnen politierechters soepel ingezet worden in al deze politierechtbanken zonder dat hun instemming is vereist. De interne mobiliteit wordt ook versterkt voor de plaatsvervangende rechters door hun voortaan te benoemen bij alle afdelingen van een rechtscollege, binnen het arrondissement. Of en op welke wijze vrederechters benoemd voor 1 april 2014 bijkomend kunnen worden benoemd in alle kantons van het arrondissement zal worden onderzocht in het licht van een eventuele aanpassing van artikel 152 van de Grondwet.
  2. Om te kunnen inspelen op de noodwendigheden van de dienst en dus een flexibele inzet van de griffiers in de kantons te bekomen, is het aangewezen dat de griffiers van de vredegerechten en de vroegere hoofdgriffiers, worden herbenoemd in het volledige arrondissement. Ook voor personeelsleden niveau C en D zal worden voorgesteld om deze in de toekomst te benoemen op het niveau van het arrondissement in plaats van bij één of meerdere afdelingen of één kanton zoals nu. Aan de personeelsleden die reeds in dienst zijn, zal de mogelijkheid worden geboden om mits hun akkoord herbenoemd te worden in meerdere aaneensluitende afdelingen of kantons op het niveau van het arrondissement.

 

Externe mobiliteit (met toestemming)

 

  1. Door aanpassing van het Gerechtelijk Wetboek wordt de bestaande externe mobiliteit maximaal uitgebreid. De uitbreiding van de externe mobiliteit draagt tevens bij tot een meer doorgedreven integratie van de personeelsorganisatie tussen de rechtscolleges zoals dit verder zal worden uitgewerkt in het kader van het op te starten proefproject rond de eenheidsrechtbank (zie hoger, nr. 323). Voor alle magistraten van de zetel wordt de externe mobiliteit uitgebreid met inachtneming van de principes inzake onafhankelijkheid, de rechten van de partijen en binnen de wettelijk toelaatbare grenzen zoals onder meer gesteld door de taalwetgeving. Zo wordt externe mobiliteit mogelijk bij rechtscolleges van het zelfde of een ander type, bij dezelfde of een andere aanleg en binnen en buiten het eigen rechtsgebied (kanton, arrondissement, ressort) waar men is benoemd. Deze uitbreiding betreft ook de niet professionele magistraten (plaatsvervangende rechters), maar zal omwille van de lokale verbondenheid of specialisatie beperkter worden ingevuld. Voor de zittende magistratuur zal dit in principe steeds gezamenlijk beslist wordt door de korpschefs van de rechtscolleges waar de magistraat werkzaam is en waar de magistraat (bijkomend) wordt ingezet. De eerste voorzitters zouden hier dus niet meer in tussenkomen.
  2. Ook voor het gerechtspersoneel zal de externe mobiliteit verder worden uitgebreid, namelijk tussen vredegerechten en politierechtbanken binnen het arrondissement en tussen afdelingen van een rechtbank van koophandel of een arbeidsrechtbank in verschillende arrondissementen van het ressort.

 

IV.2.2.4. Langer werken

 

(PP III / wetsontwerp sociaal statuut / regeerakkoord, p. 126) Om de vergrijzingsgolf op te vangen, worden maatregelen genomen die de pensioenleeftijd vrijwillig optrekken. Duidelijke (pensioen)bepalingen zijn noodzakelijk, onder meer om gepensioneerde magistraten toe te laten deeltijds te werken of hun expertise verder ter beschikking te stellen.

 

a)      Aanpassing van de pensioenleeftijd

 

  1. Magistraten zullen op vrijwillige basis voltijds kunnen blijven werken tot 70 jaar en de leden van het Hof van Cassatie zelfs tot 73 jaar, met behoud van wedde en rang. Ook parketjuristen en referendarissen krijgen de mogelijkheid om langer te werken na 65 jaar.

 

Duidelijke pensioenbepalingen

 

340. In overleg met de Adviesraad voor de magistratuur en de beroepsverenigingen van de magistraten, zal het Gerechtelijk Wetboek aangepast worden met het oog op het inlassen, op een leesbare wijze, van de bepalingen van de wetten betreffende de pensioenen van het burgerlijke personeel van de Staat, van toepassing op magistraten die voor de wettelijke pensioenleeftijd in ruste gesteld worden. Tevens zullen correcties aangebracht worden aan de bepalingen over de pensioenen van de magistraten die op de wettelijke pensioenleeftijd in ruste gesteld worden. De nieuwe bepalingen moeten een eindeloopbaan regelen met als basisprincipe dat magistraten vanaf 63 jaar kunnen opteren voor pensionering of deeltijds werken. De nieuwe bepalingen zullen een bijkomende mogelijkheid creëren om te werken na de wettelijke pensioenleeftijd en zullen het regime van vóór de wet van 28 december 2011 toepasselijk maken op magistraten die 15 dienstjaren telden op 1 januari 2012.

 

Deeltijds werken na oppensioenstelling

 

  1. Conform het regeerakkoord wordt de invoering van een sociaal statuut, met mogelijkheid deeltijds te werken vanaf de vroegst mogelijke wettelijke pensioenleeftijd, onderzocht.

 

Langer werken versoepelen voor gepensioneerde magistraten

 

  1. De eindeloopbaanregels zijn vandaag bijzonder strikt. Magistraten die op de leeftijdsgrens van 67 jaar op rust worden gesteld, kunnen slechts tot hun 70 jaar als plaatsvervangend magistraat werken en kunnen maximaal zes maanden na opruststelling hun ambt verder waarnemen in afwachting van de benoeming van hun opvolger. Deze mogelijkheden staan niet open voor magistraten die vóór de leeftijdsgrens op pensioen gaan en ontslag indienen vermits ze hierdoor de hoedanigheid van magistraat verliezen. Deze regeling wordt versoepeld.
  2. Een eerste wijziging creëert voor magistraten die vóór hun 70 jaar (leden van het Hof van Cassatie) of vóór hun 67 jaar (leden van andere rechtscolleges) op rust wensen gesteld te worden, de mogelijkheid om nadien nog te zetelen tot ze de leeftijd van 70 jaar bereikt hebben, eventueel zelfs tot 73 jaar. Bovendien kan de Koning magistraten machtigen om hun ambt verder uit te oefenen gedurende nog negen maanden (in plaats van zes maanden) na hun (vervroegde) opruststelling. Op die wijze kan worden voorkomen dat een vacature in een rechtscollege tot achterstand leidt terwijl de voormalige titularis bereid was zijn ambt verder waar te nemen totdat in zijn vervanging voorzien is. Een derde wijziging moet alle op rust gestelde magistraten – vervroegd of op de wettelijke pensioenleeftijd – toestaan hun expertise nog ten dienste van justitie te stellen, zoals bij de steundiensten van het College van hoven en rechtbanken en het College van het openbaar ministerie.

 

IV.2.2.5. Expertise behouden

 

(PP III / regeerakkoord, p. 127) Maatregelen worden genomen om de bijzondere expertise van magistraten of externen voor specifieke opdrachten bij de strafuitvoeringsrechtbanken, het Federaal Parket en internationale instellingen te valoriseren en te behouden.

 

Leden strafuitvoeringsrechtbanken

 

  1. De benoeming van zowel de rechters in strafuitvoeringsrechtbanken als de in strafuitvoeringszaken gespecialiseerde substituten-procureur des Konings en assessoren in strafuitvoeringszaken is niet langer beperkt in de tijd. Die ambten zijn thans immers toegekend voor een periode van maximaal 8 jaar.
  2. Het huidige systeem voor de evaluatie van de assessoren in strafuitvoeringszaken krijgt overigens nogal wat kritiek, inzonderheid wat de aanwezigheid van de uitvoerende macht in het evaluatiecomité betreft. Het toekennen van de evaluatiebevoegdheid aan de korpschef zal daarenboven leiden tot een vereenvoudigde procedure, met gewaarborgde effectiviteit.

 

Mandaten Federaal Parket

 

  1. Conform het regeerakkoord, waarbij moet toegezien worden op een performant federaal parket, wordt het huidige mandatensysteem hervormd waarbij een federaal magistraat wordt aangewezen voor een bijzonder mandaat van tweemaal vijf jaar. Voortaan wordt een federaal magistraat aangewezen voor een termijn van telkens vijf jaar, die hernieuwbaar is zolang de magistraat een positieve evaluatie bekomt en mits een bijkomende positief advies van het College van procureurs-generaal.

 

Mandaten in internationale instellingen

 

  1. De opdracht van magistraten van de rechterlijke orde bij een internationale, supranationale of buitenlandse instelling wordt vandaag telkens verleend voor één jaar met een maximum van zes jaar. Daardoor komen magistraten soms niet in aanmerking omdat deze regeling niet strookt met de termijnen bij de instelling zelf. Daarom wordt de beperking van zes jaar opgeheven.

IV.2.2.6. Diverse maatregelen rond magistraten en personeel

(PP III en IV / regeerakkoord, p. 126-127) Er worden diverse maatregelen voorgesteld rond magistraten en gerechtspersoneel die de efficiëntie vergroten. 

 

  1. Voor de magistraten worden de volgende maatregelen voorgesteld:

 

  • Vereenvoudiging werving rechters in handelszaken: de huidige regeling van de wervingsprocedure voor rechters in handelszaken bij omzendbrief krijgt een wettelijke basis en wordt terzelfdertijd vereenvoudigd.
  • Sociaal statuut magistraten: conform het regeerakkoord wordt in de invoering van een sociaal statuut voor magistraten voorzien.

 

  1. Inzake het gerechtspersoneel worden volgende diverse maatregelen voorgesteld, die verder worden uitgewerkt met de representatieve vakorganisaties:

 

  • Betere selectieprocedures: door gelijkschakeling van de selectieprocedure bij Selor voor het gerechtspersoneel met de procedure voor het federaal ambt zijn vrijstellingen en daardoor efficiëntiewinsten mogelijk.
  • Functieprofielen: de functiebeschrijvingen voor het gerechtspersoneel worden mede in functie van de gerechtelijke hervormingen afgewerkt en waar nodig bijgestuurd en uitgediept.
  • Vorming: het Instituut voor de Gerechtelijke Opleiding (IGO) moet meer investeren in de vorming van het gerechtspersoneel en de vorming inzake ICT in het bijzonder, en dit zowel bij de verdeling van het vormingsbudget als de organisatie van het aanbod.
  • Statuut: de modernisering van het statuut van het gerechtspersoneel wordt verdergezet, in het bijzonder wat betreft de loopbaan, de selecties, de examens en de competentiepremies.
  • Mutatie: het bestaande mutatiesysteem wordt bijgestuurd door een mutatie slechts toe te staan wanneer men twee jaar ter plaatse is en in zoverre er geen negatieve evaluatie of een tuchtprocedure is. Verder wordt voorgesteld de anciënniteitsregels bij mutatie af te schaffen en te vervangen door een selectiesysteem.
  • Keuzemogelijkheden bij werving: bij het openvallen van een vacature wordt de prioriteit voor mutatie afgeschaft en vervangen door een keuzemogelijkheid tussen mutatie, mobiliteit, werving of bevordering.
  • Werfreserve: de mogelijkheid wordt voorzien om binnen een bepaalde tijd opnieuw een beroep te kunnen doen op de werfreserve van een vorige bijkomende proef.

 

IV.2.3. Beheersautonomie voorbereiden

 

Voor de implementatie van de hervorming van het gerechtelijke landschap en de invoering van beheersautonomie moeten in overleg met de rechterlijke orde conform aan een stappenplan, nieuwe wetgeving en reglementaire uitvoeringsbesluiten op korte, middellange en lange termijn worden voorbereid. (Wetsontwerp en KB / regeerakkoord, p. 122-123)

 

  1. Het beheer van de rechterlijke organisatie is met de wet van 18 februari 2014 “betreffende de invoering van een verzelfstandigd beheer voor de rechterlijke organisatie” grondig hervormd en wordt voortaan geregeld onder Titel IV van het Gerechtelijk Wetboek. De nieuwe bepalingen zijn in werking getreden op 1 april 2014, met uitzondering van hoofdstuk IV inzake de beheersovereenkomsten en beheersplannen en hoofdstuk V inzake het financieel beheer waarvoor de inwerkingtreding nog moet worden bepaald. Luidens het nieuwe artikel 180 van het Gerechtelijk Wetboek zijn de rechtbanken en parketten voortaan verantwoordelijk voor het beheer van de algemene werkingsmiddelen die hun ter beschikking worden gesteld. De nieuw ingestelde colleges van hoven en rechtbanken en van het openbaar ministerie bieden steun bij en houden toezicht op dit beheer.
  2. Het regeerakkoord bepaalt dat de hervorming van het gerechtelijk landschap opgestart tijdens de vorige legislatuur wordt verdergezet en dat de regering deze hervorming zal afwerken, evalueren en zo nodig bijsturen. Daartoe werden reeds belangrijke initiatieven genomen en zullen in overleg met de colleges, de gerechtelijke entiteiten en de structuren opgericht in het kader van het programma “Hervorming Rechterlijke Orde” de overige wetgevende en reglementaire initiatieven verder worden voorbereid en geïmplementeerd.
  3. Hieronder wordt achtereenvolgens ingegaan op (IV.2.3.1) de installatie van de colleges, het gemeenschappelijk beheerscomité en de verbindingsmagistraat, (IV.2.3.2) de operationalisering van de steundiensten bij de colleges, (IV.2.3.3) de overdracht van beheersbevoegdheden, (IV.2.3.4) de beheersovereenkomsten met de colleges, (IV.2.3.5) de toekenning en verdeling van middelen, (IV.2.3.6) de werklastmeting, (IV.2.3.7) de modernisering van de personeelsorganisatie en (IV.2.3.8) de controle en evaluatie.

 

IV.2.3.1. Installatie colleges, gemeenschappelijk beheerscomité en verbindingsmagistraat

 

(PP III / regeerakkoord, p. 122-123) De nodige initiatieven worden genomen voor de afwerking en zo nodig bijsturing van de installatie en operationalisering van de colleges, het tijdelijke gemeenschappelijk beheerscomité en de verbindingsmagistraat.

 

Installatie van de colleges

 

  1. In uitvoering van de artikelen 182 en 184 van het Gerechtelijk Wetboek werd een eerste belangrijke stap gezet met de verkiezing en navolgende installatie van het College van hoven en rechtbanken en het College van het openbaar ministerie op 17 november 2014. Deze colleges vormen overeenkomstig het regeerakkoord het representatief orgaan dat als aanspreekpunt dient voor de magistratuur en tegelijk de werking van de verschillende gerechtelijke entiteiten ondersteunt.
  2. Noodzakelijke bijsturingen worden in overleg met de colleges op korte termijn uitgewerkt. Het betreft onder meer:

 

  • de organisatie van een structurele betrokkenheid van het gerechtspersoneel bij de werking van de colleges voor alle aangelegenheden die hen aanbelangen;
  • een regeling bij verlies van de hoedanigheid op basis waarvan men in het college werd verkozen of bij definitieve stopzetting van het ambt van magistraat tijdens een mandaat in het college;
  • een aanpassing van het bestaande rotatiesysteem voor het voorzitterschap voor het College van de hoven en rechtbanken zodat dit meer aansluit bij het rotatiesysteem van het College van het openbaar ministerie.

 

Installatie van het gemeenschappelijk beheerscomité

 

  1. Op 1 december 2014 werd in uitvoering van de overgangsmaatregel voorzien in artikel 43 van de wet van 18 februari 2014 het directiecomité van de FOD Justitie voor alle aangelegenheden die de ondersteuning van de rechterlijke orde betreffen, omgevormd tot een gemeenschappelijk beheerscomité. Daarin zetelt voortaan ook een vertegenwoordiging van elk college. Dit gemeenschappelijk beheerscomité vergadert maandelijks en zal, na goedkeuring van haar huishoudelijk reglement, een sleutelrol vervullen bij de evolutie naar meer beheersautonomie en beheersovereenkomsten.

 

c)       Aanwijzing verbindingsmagistraat

 

  1. In uitvoering van een tweede overgangsmaatregel voorzien in artikel 44 van de wet van 18 februari 2014, zal de minister van Justitie, zo de colleges dit voorstellen, op korte termijn overgaan tot aanstelling van hun verbindingsmagistraat bij het directoraat-generaal rechterlijke organisatie bij de FOD Justitie. Zij werken in opdracht van hun college en zullen via overleg en samenspraak betrokken worden bij de dienstverlening aan de rechtelijke orde en kennis en ervaring overdragen vanuit de FOD Justitie aan de colleges.

 

IV.2.3.2. Operationalisering van de steundiensten bij de colleges

 

(KB / regeerakkoord, p. 123) In 2015 worden de koninklijke besluiten die de werking en organisatie van de steundiensten van de colleges regelen samen met de personeelsplannen en het profiel van de directeur gepubliceerd. De budgetten van beide colleges zullen op hetzelfde niveau worden gebracht en verder evolueren volgens de globale middelen die aan de rechterlijke orde zullen worden toegekend.

 

  1. De artikelen 183 en 185 van het Gerechtelijk Wetboek voorzien in de respectieve oprichting van een gemeenschappelijke steundienst onder leiding van een directeur bij het College van hoven en rechtbanken en het College van het openbaar ministerie. In 2015 worden de koninklijke besluiten betreffende de werking en de organisatie van de steundiensten van beide colleges met de respectieve personeelsplannen en het profiel van de directeur gepubliceerd. Dit laat toe de werving van de directeur en het personeel af te ronden binnen het beschikbare budget. Voor het Hof van Cassatie handelt het directiecomité als “college” en kan bij toepassing van artikel 158 van het Gerechtelijk Wetboek eveneens een steundienst worden opgericht bij koninklijk besluit.
  2. In uitvoering van artikel 44 van de wet van 18 februari 2014 beschikken het College van hoven en rechtbanken en het College van het openbare ministerie over een eigen budget. Dit is slechts een eerste stap in de verdere verzelfstandiging. Tijdens de begrotingscontrole is voorgesteld om dit budget voor beide colleges op hetzelfde niveau te brengen. Deze budgetten zullen vervolgens, rekening houdend met de evolutie van de globale middelen die aan de rechterlijke orde zullen worden toegekend, toenemen in functie van afspraken die nog moeten worden vastgelegd om deze autonomie verder te verankeren.

 

IV.2.3.3 Overdracht van beheersbevoegdheden

(KB / regeerakkoord, p. 122) De decentralisatie van beheerbevoegdheden, en bijhorende ondersteuning inzake personeel, werking, gebouwen en ICT vanuit de FOD Justitie, zal op het meest geschikte beheersniveau – directiecomité, gegroepeerde directiecomités op niveau van het rechtsgebied van de hoven van beroep of volgens type rechtscollege of parket, college of gemeenschappelijk beheer – worden georganiseerd bij toepassing van het subsidiariteitsprincipe.

 

  1. Voor het beheer van de rechterlijke organisatie zijn naast de minister van Justitie, de FOD Justitie en de korpschefs van de rechtbanken en parketten een aantal nieuwe beheersniveaus door de wet ingesteld, met name de directiecomités op lokaal niveau en de colleges en het gemeenschappelijk beheer op centraal niveau. Daarnaast is het wenselijk dat voor bepaalde beheeraangelegenheden de directiecomités zich kunnen groeperen op het niveau van de vijf rechtsgebieden van de hoven van beroep of volgens type rechtscollege of parket.
  2. Welke het meest geschikte beheerniveau is, wordt bepaald bij toepassing van het subsidiariteitsprincipe. Dit houdt in dat bevoegdheden daar moeten gelegd worden waar ze de meeste meerwaarde bieden, dit onder meer in functie van criteria zoals rechtstreekse impact (op beleid, gerechtelijke dossiers, gebruikers, enzovoort), effecten van schaalvergroting, noodzaak aan specialisatie, groepering van expertise, het al dan niet repetitief karakter, enzovoort.

 

Lokaal : de directiecomités van de gerechtelijke entiteiten

 

  1. Op lokaal niveau worden de rechtbanken en parketten verantwoordelijk voor het beheer van de algemene werkingsmiddelen die hen ter beschikking worden gesteld. Daartoe stelt artikel 185/2 van het Gerechtelijk Wetboek bij elke entiteit een directiecomité in[2], die bestaat uit de korpschef, magistraten en leden van het gerechtspersoneel. Zij staan de korpschef bij in de algemene leiding, de organisatie en het beheer van de gerechtelijke entiteit.

 

Er zijn in totaal 78 directiecomités, één voor het Hof van Cassatie, 49 voor de hoven en rechtbanken[3] en 28 voor het openbaar ministerie[4].

 

Centraal: de colleges en het gemeenschappelijk beheer

 

  1. De artikelen 181 en 184 van het Gerechtelijk Wetboek bepalen dat het College van hoven en rechtbanken en het College van het openbaar ministerie respectievelijk instaan voor de goede algemene werking van de zetel en een goed beheer van het openbaar ministerie. Binnen deze bevoegdheid moeten ze maatregelen nemen die een toegankelijke, onafhankelijke, tijdige en kwaliteitsvolle rechtsbedeling verzekeren, door het organiseren dan wel nastreven van integrale kwaliteitszorg, onder meer inzake communicatie, kennisbeheer, een kwaliteitsbeleid, werkprocessen, de implementatie van informatisering, het strategisch personeelsbeleid, de statistieken, de werklastmeting en werklastverdeling. Het College van het openbaar ministerie is daarnaast ook belast met het ondersteunen van het beheer ter uitvoering van het strafrechtelijk beleid bepaald door het College van procureurs-generaal.Verder moeten beide colleges ondersteuning bieden aan het beheer binnen rechtbanken en parketten. Ter uitvoering van hun taken en bevoegdheden kunnen de colleges aanbevelingen en dwingende richtlijnen aan de directiecomités geven.
  2. Daarnaast stelt artikel 185/1 van het Gerechtelijk Wetboek dat aangelegenheden die als gemeenschappelijk worden beschouwd omdat de ingezette middelen gemeenschappelijk zijn, door beide colleges of door beide colleges samen met de FOD Justitie zullen worden beheerd. Het Hof van Cassatie wordt betrokken voor de aangelegenheden die het aanbelangt.
  3. Om deze bepalingen ten uitvoer te leggen worden twee koninklijk besluiten voorbereid:

 

  • een eerste koninklijk besluit wordt genomen in uitvoering van artikel 41 van de wet van 18 februari 2014 en betreft de overdracht van bevoegdheden van de FOD Justitie naar de colleges, of het gemeenschappelijk beheer zoals bedoeld in artikel 185/1 van het Gerechtelijk Wetboek;
  • een tweede koninklijk besluit heeft in uitvoering van artikel 185/1 van het Gerechtelijk Wetboek betrekking op de aanduiding van de gemeenschappelijke beheeraangelegenheden.

 

  1. Voor de FOD Justitie wordt de voorbereiding van deze beheeroverdracht eveneens afgestemd op de voorbereiding van de bestuursovereenkomst die eind 2015 wordt afgesloten met de minister van Justitie.

 

c)       Tussenniveau: groepering directiecomités op niveau van het rechtsgebied van de hoven van beroep of per type rechtscollege of parket

 

  1. Artikel 185/2, § 6, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat voor gemeenschappelijke beheeraangelegenheden de directiecomités van de betrokken gerechtelijke entiteiten samen overleggen. Gelet op hun grote aantal moet dit de directiecomités toelaten om een gemeenschappelijk beheer op een ander niveau te organiseren. Dit kan gebeuren door zich voor bepaalde beheeraangelegenheden te groeperen binnen het rechtsgebied van een hof van beroep, dan wel per type rechtscollege, parket of auditoraat.
  2. Een dergelijke groepering laat bijvoorbeeld ook toe om beter aan te sluiten bij de huidige organisatie van de werklastmeting of om te komen tot een efficiënte ondersteuning vanuit de steundiensten van de colleges vermits de directiecomités zelf niet beschikken over gespecialiseerde managementprofielen. Zo kan de toekenning van eventuele bijkomende middelen in 2015 aan de colleges worden aangewend om binnen elke steundienst een pool van 15 gespecialiseerde financiële, HRM en ICT profielen te voorzien die vervolgens ter beschikking worden gesteld om de directiecomités binnen elk van de vijf rechtsgebieden van de hoven van beroep gezamenlijk te ondersteunen.

 

IV.2.3.4. Beheersovereenkomsten met de colleges

(PP III / KB / regeerakkoord, p. 123-124) In uitvoering van het regeerakkoord wordt vanaf 2017 gewerkt met beheersovereenkomsten die de minister van Justitie zal afsluiten met de colleges van de hoven en rechtbanken en het openbaar ministerie en het Hof van Cassatie. Daartoe worden de hoofdstukken IV inzake de beheersovereenkomsten en de beheersplannen en V inzake het financieel beheer tijdens deze legislatuur in werking gesteld en uitgevoerd.

 

Beheersovereenkomsten vanaf 2017

 

  1. Hoofdstuk IV inzake de beheersovereenkomsten en de beheersplannen en Hoofdstuk V inzake het financieel beheer worden tijdens deze legislatuur in werking gesteld zodat in uitvoering van het regeerakkoord vanaf 2017 gewerkt wordt met beheersovereenkomsten die de minister afsluit met de beide colleges en het Hof van Cassatie
  2. Conform artikel 185/4 van het Gerechtelijk Wetboek worden de beheersovereenkomsten gesloten voor drie jaar en bevatten zij afspraken rond doelstellingen inzake beheer en organisatie voor respectievelijk het geheel van de hoven en rechtbanken enerzijds en het openbaar ministerie anderzijds en de middelen die de minister daarvoor via de colleges ter beschikking stelt. De beheersovereenkomsten zullen ook vastleggen hoe de realisatie wordt gemeten en opgevolgd en welke indicatoren daarvoor worden gebruikt. In overleg met de colleges wordt een in ministerraad te overleggen koninklijk besluit voorbereid dat de wijze bepaalt waarop de beheersovereenkomsten worden onderhandeld, afgesloten en zo nodig tussentijds worden aangepast.

 

Minimaal op te nemen doelstellingen

 

  1. De beheersovereenkomsten vormen een essentiële hefboom om de beheersautonomie te koppelen aan een resultaatgericht beheer van de toegekende middelen. Daartoe moeten de toekomstige beheerscontracten onder meer nauwkeurige en becijferde doelstellingen opnemen aangaande het wegwerken van de gerechtelijke achterstand en de toekenning van de middelen om dit te bereiken. Een ander element vormt het engagement om alles in het werk te stellen opdat in elke aanleg uitspraken worden geveld binnen het jaar na de instelling van de vordering (zie hoger, nr. 49).Ook de nagestreefde rationalisering van de uitgaven moet via de beheerscontracten geïntegreerd worden. Om de doelstellingen te bereiken, zullen ook stimuli worden ingebouwd waarbij positieve resultaten op vlak van snelheid en productie omgezet kunnen worden in toekenning van extra middelen.

IV.2.3.5. Toekenning en verdeling van middelen

(PP III / Wetsontwerp financiering/ regeerakkoord, p. 123-124) De toekenning en het beheer van middelen op het meest geschikte beheerniveau zal eveneens gebeuren met toepassing van het subsidiariteitsbeginsel. Tevens wordt gestart met de voorbereiding van middelenenveloppes voor personeel, algemene werkingsmiddelen en gerechtskosten.

 

Overdracht van middelen
  1. Volgens artikel 185/4 van het Gerechtelijk Wetboek moet de beheersovereenkomst met elk College naast de werkingsenveloppe nodig voor de eigen werking de middelen bevatten die de overheid aan het geheel van de hoven en rechtbanken of het openbaar ministerie toekent voor hun werking.
  2. Op termijn kan de minister van Justitie bij toepassing van artikel 185/8 van het Gerechtelijk Wetboek via de beheersovereenkomsten ook reële werkingsenveloppes overdragen aan elk college door middel van kredieten die hiervoor zijn ingeschreven op de administratieve begroting van de FOD Justitie voor, enerzijds, de eigen werking en, anderzijds, de werking van de rechtbanken en parketten. Het Hof van Cassatie ontvangt zijn werkingsenveloppe rechtstreeks van de minister van Justitie. Voorafgaand moet een wet worden voorzien die de nadere regels bepaalt voor de financiering van de gerechtelijke entiteiten en de wijze waarop deze geldelijke middelen worden beheerd door de colleges en het directiecomité van het Hof van Cassatie.
  3. Bij toepassing van artikel 185/6 van het Gerechtelijk Wetboek verdelen de colleges de hen toegekende middelen verder onder de rechtbanken en parketten van hun organisatie op basis van hun beheersplannen. Deze omvatten een omschrijving van de voorgenomen activiteiten voor de komende drie jaar en de middelen vereist voor haar werking. Aan de toegekende middelen worden tevens doelstellingen verbonden in verband met het beheer en de werking van de rechtbanken en parketten. In overleg met de colleges moet een in ministerraad te overleggen koninklijk besluit worden voorbereid dat de wijze bepaalt waarop de beheersplannen worden onderhandeld, neergelegd en zo nodig tussentijds worden aangepast.
  4. Het is de bedoeling om de rechterlijke orde voor alle financiële middelen die rechtstreeks op hun werking betrekking hebben verantwoordelijk te maken, met name personeelsmiddelen, algemene werkings- en investeringsmiddelen maar ook inbegrepen de gerechtskosten. Zoals voor de beheersbevoegdheden zal voor de bijhorende middelen bij toepassing van het voormelde subsidiariteitsbeginsel eveneens moeten worden bepaald welke het meest geschikte beheerniveau is: directiecomités, desgevallend gegroepeerd per rechtsgebied van het hof van beroep of per type rechtscollege/parket, de colleges of het gemeenschappelijke beheer.

 

Bepaling van middelenenveloppes

 

  1. De overdracht van middelen zal in een eerste fase vertrekken van een opdeling tussen de hoven en rechtbanken enerzijds en het openbaar ministerie anderzijds. In de bestaande begroting wordt dit onderscheid niet gemaakt, noch voor personeelsmiddelen, noch voor algemene werkingsmiddelen en gerechtskosten. De enige uitzondering vormt het Hof van Cassatie waarvan de personeelsuitgaven voor 2015 zijn afgezonderd in het aparte activiteitenprogramma.
  2. Voor wat betreft de personeelsmiddelen, wordt naar analogie met het Hof van Cassatie gestart met de voorbereiding van een simulatie die op 1 januari 2016 de verdeling van de personeelsuitgaven over de hoven en rechtbanken, het openbaar ministerie en het hof van Cassatie weergeeft en dit telkens voor magistraten en gerechtspersoneel. Er wordt daarvoor uitgegaan van de begroting 2015. Vervolgens wordt een analoge simulatie opgesteld met een groepering van de personeelsmiddelen voor de (gegroepeerde) directiecomités.
  3. De aldus bekomen simulaties vormen het startpunt voor de bepaling van de werkingsenveloppes inzake magistraten en gerechtspersoneel die op 1 januari 2017 aan de colleges, het Hof van Cassatie en de (gegroepeerde) directiecomités bij het afsluiten van de beheersovereenkomsten worden toebedeeld. Binnen de aldus vastgestelde aanvangsenveloppes kan de beheersautonomie starten, onder meer door maximaal gebruik te maken van interne en externe mobiliteit (zie hoger, nrs. 335-338).
  4. Een analoge oefening wordt opgestart voor de gerechtskosten, die in hoofdzaak worden gegenereerd op het niveau van het arrondissement, en de algemene werkingsmiddelen, die thans deels lokaal op het niveau van de Directiecomités (zoals de griffie- en secretariaatskosten en kleine uitgaven), deels centraal (andere werkingsuitgaven) door de FOD Justitie worden beheerd.

 

IV.2.3.6. Werklastmeting uitvoeren

(KB / regeerakkoord, p. 123-124) In 2015 wordt een koninklijk besluit voorbereid dat de wijze van registratie van de werklastmeting en de evaluatie ervan voor magistraten en gerechtspersoneel samen met de nationale normtijden vastlegt. De aldus uitgevoerde werklastmetingen vormen de basis in 2017 voor het openbaar ministerie en/of later voor de zetel voor de definitieve verdeling van de initieel toegekende personeelsmiddelen.

 

  1. Het regeerakkoord stelt dat de werklastmeting onder de verantwoordelijkheid van de regering moet worden afgerond, er een werklastmeting moet worden opgestart voor de rechtbank van koophandel en de resultaten ervan moeten gekoppeld worden aan een herziening van de kaders, een evaluatie van de werkprocessen, het opstellen van benchmarks en een efficiënte verdeling van middelen. Daartoe wordt in 2015 het koninklijk besluit in uitvoering van artikel 352bis van het Gerechtelijk Wetboek voorbereid dat de wijze vaststelt waarop de werklast van de rechter, het openbaar ministerie en het gerechtspersoneel wordt geregistreerd en de aldus geregistreerde gegevens worden geëvalueerd. Tevens worden de nationale normtijden vastgelegd voor elke categorie van rechtscollege en parket op basis waarvan de werklast dient te gebeuren. De initiële budgetverdeling voor personeel tussen de (gegroepeerde) directiecomités (zie hoger nr. 374) blijft gehandhaafd tot er een (nieuwe) werklastmeting voorhanden is die voldoet aan dit koninklijk besluit en de nationale normtijden zodat vergelijking tussen de rechtscolleges en parketten mogelijk wordt. Op basis van deze werklastmetingen en andere geobjectiveerde criteria zoals de evolutie van de instroom kan de definitieve verdeling van de personeelsmiddelen gebeuren. Voor het openbaar ministerie wordt dit voorzien vanaf 2017, en voor de hoven en rechtbanken indien nodig later, vanaf 2018 of 2019.

 

IV.2.3.7. Modernisering van de personeelsorganisatie

Via een modernisering van de personeelsorganisatie evolueren de reglementair vastgestelde kaders vastgesteld per gerechtelijke entiteit naar personeelsenveloppes en personeelsplannen met een onderscheid tussen magistraten, juridische medewerkers en het overige gerechtspersoneel. Magistraten en gerechtspersoneel worden op niveau van het ressort benoemd en kunnen in elk rechtscollege worden ingezet door de directiecomités. Magistraten worden benoemd in een basisgraad van rechter of substituut en promotiegraden zoals raadsheer of vrederechter.

 

  1. Het is de bedoeling dat de rechtbanken en parketten op termijn binnen hun budget maximale beheersautonomie genieten, binnen zekere grenzen als gevolg van de opdeling tussen personeel en werking, en tussen magistraat, en binnen het gerechtspersoneel, tussen juridische medewerkers en de overige personeelsleden. Dit vereist een totaal nieuwe invulling van de bestaande personeelsorganisatie die vandaag gebaseerd is op wettelijk en reglementair vastgestelde (detail)kaders per gerechtelijke entiteit. Bedoeling is om met inachtneming van de waarborgen inzake de rechterlijke onafhankelijkheid na te gaan of dit op termijn kan evolueren naar een meer flexibel te beheren systeem van (gesloten) personeelsenveloppes en personeelsplannen.
  2. Voor de hoven en rechtbanken zou dit gekoppeld worden aan een benoeming van magistraten op het niveau van het ressort in een basisgraad van rechter, waarbij men binnen het rechtsgebied van een hof van beroep kan ingezet worden in elk type rechtscollege (zie hoger, nr. 337). Daarnaast zou men als rechter bijkomend in promotiegraden van raadsheer of vrederechter kunnen worden benoemd, wat naast een weddeverhoging tevens toelaat om te zetelen als alleenzetelend raadsheer in het hof of leidinggevend vrederechter in een vredegerecht. Een analoog systeem wordt onderzocht voor het openbaar ministerie met als basisgraad de benoeming als substituut-procureur des Konings.
  3. De benoemingen van de magistraten blijven zoals vandaag gebeuren door de Koning op voordracht van de Hoge Raad voor de Justitie, maar de directiecomités zouden (samen) beslissen over de concrete toewijzing van de magistraten en het gerechtspersoneel binnen het ressort en samen met de colleges een rol spelen bij de voordracht van magistraten voor promotiegraden.

 

IV.2.3.8. Controle en evaluatie

(PP III,  MB / regeerakkoord, p. 122) Parallel met de voorbereiding van overdracht van beheersbevoegdheden en middelen worden de bij wet voorziene opvolgings- en controlemechanismen geïmplementeerd.

 

  1. Het reeds in werking getreden hoofdstuk VI inzake de evaluatie en controle voorziet in artikel 185/9 van het Gerechtelijk Wetboek onder meer dat elke rechtbank of parket over de uitvoering van het beleidsplan rapporteert aan het college via het eigen werkingsverslag bedoeld in artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek. Vervolgens stelt elk college jaarlijks een eigen werkingsverslag op, met vermelding van zijn activiteiten, zijn richtlijnen en aanbevelingen, de beslissingen van de directiecomités die het heeft vernietigd, op welke wijze de middelen die door middel van de beheersovereenkomst werden verleend, zijn gebruikt, de resultaten die elke organisatie op basis van deze middelen heeft behaald, alsook de indicatoren waaruit blijkt of de doelstellingen van de organisatie al dan niet zijn gerealiseerd. Dit verslag wordt voor 1 juli overgezonden aan de minister van Justitie en het federaal Parlement. Het Hof van Cassatie integreert beide luiken in het werkingsverslag. Voor 1 juli 2015 zal de minister van Justitie op advies van het college het standaardformulier bepalen volgens hetwelk dit werkingsverslag wordt opgesteld. De artikelen 185/10, 185/11 en 185/12 van het Gerechtelijk Wetboek regelen tot slot de jaarlijkse goedkeuring van de rekeningen, het nazicht door het Rekenhof en de controlebevoegdheid van de minister van Justitie en de minister van Begroting.
  2. Daarnaast zal de audit- controle en monitoringbevoegdheid van de Hoge Raad voor de Justitie worden ingezet als instrument voor de externe controle.

 

IV.3. Penitentiair personeelsbeheer

 

  1. De ratio personeel “bewaking & techniek” per aanwezige gedetineerde lag eind 2014 op gemiddeld 0,64. De laagste ratio vinden we dan in Antwerpen met 0,42 en de hoogste in Tongeren met 2,08 (Leuze staat daar net voor met 1,30). Eind 2014 waren er 7.100,52 VTE’s ter beschikking voor de totale gevangenispopulatie. Als we dit vergelijken met beschikbare cijfers uit andere Europese landen, dan is deze ratio vrij goed. In 2011 deden enkel Schotland en Finland het met minder bewakingspersoneel.
  2. Het personeelsplan 2014 voorzag in een volledige invulling van het plan in 7.290 VTE’s. In dit cijfer zitten echter ook de jeugdcentra Everberg en Saint-Hubert bij. Als het puur om de penitentiaire inrichtingen gaat dan voorzag het personeelsplan 2014 7.174 VTE’s. Eind 2014 zat men met een invulling van 7.254,27 VTE’s aan een invulling van 99,5% van het personeelsplan 2014. Op die dag waren er 8.235 effectieven “bewaking & techniek”. Het verschil wordt verklaard door personeelsleden die deeltijds werken.
  3. Bij het begin van de legislatuur is onmiddellijk een intensief overleg gestart met de vertegenwoordigers van het penitentiair personeel. Binnen het sectorcomité III werden de volgende zeven werkgroepen opgericht: – rugzak (verlof uit het verleden) en absenteïsme; – verlof voorafgaand aan de pensionering (VVP); – gegarandeerde dienstverlening (evaluatie Protocol 351); – rationalisering en modernisering van de werkmethodes: i. werkmethodes; ii. modernisering van de gebouwen; iii. aanpak van de overbevolking (inclusief Tilburg); iv. differentiatie voor de verschillende gevangenissen; – vorming – contracten bepaalde duur (CDD) – veiligheidskorps
  4. Drie thema’s staan centraal in de bespreking in werkgroepen bestaande uit vertegenwoordigers van het directoraat-generaal van de strafinrichtingen en syndicale vertegenwoordigers: (IV.3.1) het verlof voorafgaand aan pensioen (VVP), (IV.3.2) de vorming van het penitentiair personeel en (IV.3.3) de rationalisering van de werkmethodes. De eerste besprekingen wijzen uit dat enkel via rationalisering een oplossing kan gevonden worden voor de afbouw van verlof uit het verleden, de overdracht van verlof, het toestaan van het volgen van vorming en opleiding en om te kunnen werken binnen het huidige personeelsplan zonder bijkomende aanwervingen omwille van de lopende wervingsstop en de budgettaire beperkingen met betrekking tot het personeel. Het doel is om te komen tot efficiëntie in de personeelsinzet en dus kostenbesparend te werken.

 

IV.3.1. Verlof voorafgaand aan pensioen (VVP)

De reglementering inzake het verlof voorafgaand aan het pensioen (VVP) voor de personeelsleden van de penitentiaire inrichtingen wordt aangepast aan het optrekken van de pensioenleeftijd en de regeling van de individuele werkloosheid met bedrijfstoeslag (SWT), waarbij men in principe vanaf 1 januari 2016 op 57 jaar – en 58 jaar bij erkenning als zwaar beroep – in VVP kan gaan.

 

  1. Voor wat betreft de aanpassing van de pensioenleeftijd, zowel de feitelijke als deze van het vervroegde pensioen, dringt een wijziging van het koninklijk besluit van 28 september 2003 “tot invoering van een verlof voorafgaand aan het pensioen ten gunste van sommige ambtenaren in dienst in de buitendiensten van het Directoraat-generaal EPI – Penitentiaire Inrichtingen” zich op. Aanpassingen in de reglementering zijn noodzakelijk vanaf het moment dat de wet op de pensioenen waarmee de pensioenleeftijd opgetrokken wordt, van kracht is. Conform het Regeerakkoord volgt een afstemming met de regeling van de individuele werkloosheid met bedrijfstoeslag (SWT) voor wat betreft de leeftijds- en loopbaanvoorwaarden. Op dit moment is er een traject uitgewerkt waarbij men in principe vanaf 1 januari 2016 op 57 jaar in VVP kan gaan.
  2. Met een erkenning als zwaar beroep zou de afstemming betekenen dat de startdatum van VVP naar 58 jaar dient gebracht te worden. Betrachting is om dit geleidelijk in te voeren, in akkoord met de ministers van Pensioenen, Begroting en Ambtenarenzaken. De pensioenwet dient te worden aangepast alvorens de syndicale onderhandelingen te kunnen opstarten met betrekking tot de overgangsmaatregelen.

 

IV.3.2. Vorming penitentiair personeel

Er wordt opnieuw geïnvesteerd in vorming, onder meer door de basisopleiding opnieuw te verlengen, in te zetten op voortgezette opleiding, het systeem van mentoren te her-activeren en nieuwe leervormen zoals e-learning te stimuleren.

 

  1. De basisopleiding is onder de vorige regering teruggebracht van zes naar drie maanden omwille van budgettaire redenen en het sneller willen inzetten van de penitentiair beambten op het terrein. Dit heeft tot gevolg gehad dat de nieuwe personeelsleden minder autonoom inzetbaar zijn en meer omkaderd dienen te worden.
  2. Vandaag bestaat de wens om de basisopleiding opnieuw te verlengen maar ook om meer in te zetten op voortgezette opleiding, het opnieuw activeren van het systeem van mentoren en aandacht voor nieuwe leervormen, zoals e-learning. In veel gevallen kunnen opleidingen niet worden georganiseerd omdat het personeel de dienst moet blijven verzekeren en de planning het volgen van opleidingen niet toelaat. De vorming van de penitentiaire beambten is gelinkt aan de rationalisering (zie verder, nrs. 393-394), het hoge absenteïsme (ongeveer 10 %) en de rugzak aan nog niet opgenomen verlofdagen en overuren.

 

IV.3.3. Rationalisering werkmethodes

(Regeerakkoord, p. 136 en 138) Met inachtneming van de basisrechten van de gedetineerden wordt een reflectie opgestart over een meer rationele inzet van penitentiair personeel

 

  1. De nood aan rationalisering en modernisering van de inzet van het penitentiair personeel vloeit voort uit de wervingsstop als gevolg van opgelegde besparingen, de noodzaak tot afbouw van de ‘rugzak-verloven’ en recuperatie van overuren en is ook ingegeven vanuit de bekommernis om meer opleidingen te kunnen volgen.
  2. Het hoge absenteïsme zorgt er ook voor dat men dient na te denken over hoe, waar en wanneer personeelsleden worden ingezet. Dit zorgt op dit moment reeds voor tijdelijke oplossingen, maar er dient alleszins voor gezorgd te worden dat de basisrechten van de gedetineerden niet geschonden worden, in het bijzonder deze die verankerd zijn in de Basiswet van 12 januari 2005. In dit opzicht dient deze rationalisering ook rekening te houden met wat men onder gegarandeerde dienstverlening verstaat. Hoe dan ook dient het hoge absenteïsme te dalen om tot een structurele oplossing te komen. Hier dient nu in de eerste plaats vooral preventief gewerkt te worden. In het verleden is soms meer gefocust op het repressieve wat hier en daar wel tot een resultaat geleid heeft, maar dat geen structurele daling teweeg gebracht heeft. Het streven naar een rationalisering van de inzet van penitentiair personeel is ook verbonden met de strijd tegen de overbevolking (zie hoger, hoofdstuk III).

 

De voorgestelde maatregelen moeten er toe leiden dat de back office van justitie efficiënter wordt georganiseerd. Centraal staat een doorgedreven responsabilisering op elk beheerniveau binnen de FOD Justitie en binnen de rechterlijke orde. Het toekennen van overheidsmiddelen wordt op elk niveau gekoppeld aan een doelmatig en zuinig beheer van mensen en budgetten en het behalen van concrete resultaatgerichte doelstellingen in verband met snellere en kortere procedures, tijdige vonnissen en effectieve strafuitvoering.Dankzij de realisatie van werkingsbesparingen zullen bovendien de noodzakelijke middelen vrijkomen om te herinvesteren in de verdere modernisering van justitie op het vlak van informatisering, gebouwen en personeel.  

[1] Raad van Europa, European Commission for the Efficiency of Justice (CEPEJ), Compendium of “best practices” on time management of judicial proceeding, (CEPEJ) (2006), www.euromed-justice.eu

[2] Voor de vrede -en politierechters is dit een gezamenlijk directiecomité op arrondissementeel niveau.

[3] 5 hoven van beroep (Antwerpen, Brussel, Gent, Luik, Bergen), 5 arbeidshoven (Antwerpen, Brussel, Gent, Luik, Bergen), 13 rechtbanken van eerste aanleg (Antwerpen, Limburg, Brussel FR, Brussel NL, Leuven, Waals-Brabant, Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen, Luik, Eupen, Luxemburg, Namen, Henegouwen), 8 arbeidsrechtbanken (Antwerpen, Brussel FR, Brussel NL, Nijvel, Leuven, Gent, Luik, Bergen-Charleroi), 8 rechtbanken van koophandel (Antwerpen, Brussel FR, Brussel NL, Nijvel, Leuven, Gent, Luik, Bergen-Charleroi), 10 voor de vredegerechten en politierechtbanken (Antwerpen, Limburg, Leuven, Waals-Brabant, Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen, Luik, Luxemburg, Namen, Henegouwen).

[4] 1 Federaal parket, 5 parketten-generaal + auditoraten-generaal (Antwerpen, Brussel, Gent, Luik, Bergen), 14 parketten van de PK (Antwerpen, Limburg, Brussel, Halle-Vilvoorde, Leuven, Waals-Brabant, Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen, Luik, Eupen, Luxemburg, Namen, Bergen, Charleroi), 8 arbeidsauditoraten (Antwerpen, Brussel, Halle-Vilvoorde, Nijvel, Leuven, Gent, Luik, Bergen-Charleroi).

 

Download hier de vooropgestelde timing van het justitieplan.