Koen Geens I Stap Voorwaarts | Efficiënte justitie
14884
page,page-id-14884,page-template-default,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-theme-ver-6.4,wpb-js-composer js-comp-ver-4.4.2,vc_responsive

Efficiënte justitie

JUSTITIEPLAN – DEEL 3
Efficiënte aanpak van criminaliteit en onveiligheid.

 

III.1. Strafrecht: de misdrijven en hun bestraffing.

III.1.1. Wat moet gestraft worden?
III.1.2 Welke sancties?
III.1.3. Wat moet vervolgd worden?

 

III.2. De strafuitvoering: de vrijheidsstraffen en de externe rechtspositie van veroordeelde gedetineerden.

III.2.1. Huidige situatie.
III.2.2. Modernisering van de externe rechtspositie van gedetineerden.
a) Algemeen.
b) Nieuwe gerationaliseerde tijdsvoorwaarden.
c) Concrete voorstellen.
III.2.3. Veroordeelden zonder recht op verblijf.
a) Onderscheid veroordeelden met en zonder recht op verblijf.
b) Modaliteiten van strafuitvoering.
c) De invrijheidstelling van personen zonder recht op verblijf.
III.2.4. De gerechtsbrief bij strafuitvoering.

 

III.3. De strafprocedure.

III.3.1. Naar een nieuw Wetboek van Strafvordering (tegen 2018).
III.3.2. Punctuele hervormingen van de strafprocedure.
III.3.2.1. ‘Kleine’ hervorming van het vooronderzoek.
a) Uitbreiden van de mini-instructie en andere opsporingsmethoden.
b) De voorlopige hechtenis.
III.3.2.2. Onregelmatigheden in de procedure.
III.3.2.3. Versterken van de instrumenten van buitengerechtelijke afhandeling.
a) Het sepot.
b) De minnelijke schikking (art. 216bis Sv.)
c) Het betalingsbevel.
d) De bemiddeling in strafzaken (art. 216ter Sv.)
III.3.2.4. De betekening van de dagvaarding.
III.3.2.5. De regeling van de rechtspleging.
III.3.2.6. De procedure ten gronde.
a) Conclusies.
b) Guilty plea.
III.3.2.7. Verstek en verzet.
III.3.2.8. Beroep.
III.3.2.9. Cassatieberoep.
III.3.2.10. Assisen.
III.3.2.11. Herziening van veroordelingen.

 

III.4. Een efficiënt en effectief integraal veiligheidsbeleid.

III.4.1. De kadernota Integrale Veiligheid (tegen eind 2015).
III.4.2. Integrale en geïntegreerde aanpak inzake terrorisme en radicalisme.
III.4.3. Verbeteren van het werk van de politie-, inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
III.4.3.1. Strategische samenwerkingsverbanden creëren, versterken en vergemakkelijken.
III.4.3.2. De beschikbare middelen aanwenden in functie van de prioriteiten.
III.4.3.3. Wettelijk en regelgevend kader optimaliseren.
III.4.3.4. De processen en de technische middelen optimaliseren.

 

III.5. Penitentiair beleid en beleid betreffende geïnterneerden.

III.5.1. Humane detentieomstandigheden voor alle gedetineerden.
III.5.1.1. Gezondheidszorg voor gedetineerden.
a) Inwerkingtreding van de Basiswet.
b) Organisatie van de penitentiaire gezondheidszorg.
c) De ziekteverzekering voor gedetineerden.
III.5.1.2. Een onafhankelijk toezicht op de gevangenissen.
III.5.1.3. Het klachtenrecht van gedetineerden.
III.5.1.4. Detentieplanning.
III.5.2. Een aangepast beleid ten aanzien van geïnterneerden.
III.5.2.1. De rechtspositie van geïnterneerden.
a) Aanpassingen aan de wet van 5 mei 2014.
b) Installatie van de kamers ter bescherming van de maatschappij.
c) Een eigen interne rechtspositie voor geïnterneerden.
III.5.2.2. Naar een zorgtraject voor geïnterneerde personen.
a) Verdere uitbouw van een forensisch psychiatrisch zorgnetwerk.
b) Ontbrekende schakels in het forensisch psychiatrisch zorgnetwerk.
c) Een beveiligd klinisch observatiecentrum.

 

 

III. Efficiënte aanpak van criminaliteit en onveiligheid

 

Dit hoofdstuk bevat maatregelen met het oog op de efficiënte aanpak van criminaliteit en onveiligheid en een doelgerichte uitvoering van straffen en maatregelen.

  • Met het oog op de voorbereiding van het nieuwe Strafwetboek tegen het einde van de legislatuur, wordt een methode ontwikkeld om voortaan alleen de inbreuken die écht strafwaardig worden beschouwd, nog voor de strafrechter te brengen. Zo wordt het strafrecht tot zijn kerntaak teruggebracht. Andere onwenselijke gedragingen zullen administratief of waar mogelijk zelfs zuiver burgerrechtelijk worden afgehandeld. Het openbaar ministerie beoordeelt in het kader van haar strafrechtelijk beleid de opportuniteit van de strafvervolging, en krijgt meer mogelijkheden tot een buitengerechtelijke of alternatieve afhandeling. Zo moeten de politiediensten, onder controle van de parketten, de sepotbeslissingen kunnen nemen om technische redenen. Verder wordt de toepassing van de minnelijke schikking verfijnd. Voorts wordt het bevel tot betalen uitvoerbaar gesteld voor wegverkeerzaken en verruimd tot bepaalde feiten van gemeen strafrecht. Ook de bemiddeling in strafzaken wordt verruimd, zodat ze ook kan worden toegepast voor zogenaamde “slachtofferloze” misdrijven (zoals bijvoorbeeld drugszaken). De vrijheidsstraf wordt als ultimum remedium voorbehouden voor de bestraffing van zwaardere inbreuken. In de straffenschaal verdwijnt de gevangenisstraf van minder dan één jaar.
    Nieuwe vormen van bestraffing worden naast en evenwaardig met de vrijheidsstraf ingevoerd. De straffenschaal wordt verrijkt met nieuwe autonome sancties om opnieuw evenwicht te brengen in de strafrechtelijke sanctionering.
  • In de uitvoering van de gevangenisstraf worden maatschappelijk herstel en re-integratie opnieuw centraal gesteld. De wetgeving rond de externe rechtspositie wordt grondig aangepast waardoor veroordeelden tot een gevangenisstraf van hoogstens vijf jaar in principe automatisch worden vrijgesteld indien de wettelijke voorwaarden zijn vervuld. Voor veroordeelden met straffen van meer dan vijf jaar blijft de systematische tussenkomst van de strafuitvoeringsrechtbank vereist. De vervroegde invrijheidstelling zal minimaal de helft bedragen van de veroordeling. De bestaande minima van een derde en twee derden worden erdoor vervangen.
    Personen zonder verblijfstitel kunnen in vrijheid worden gesteld op voorwaarde dat zij in principe niet terugkeren naar België na vrijlating en verwijdering van het grondgebied.
  • Met het oog op de invoering bij het einde van de legislatuur van het nieuwe Wetboek van Strafvordering, wordt de strafvordering alvast hervormd en vereenvoudigd met het oog op meer efficiëntie, snelheid en coherentie, zonder te raken aan de fundamentele rechten van de partijen.
    Een gerechtelijk onderzoek zal op korte termijn niet meer systematisch nodig zijn wanneer een verzoek tot huiszoeking, inkijkoperatie, telefoontap of observatie met gebruik van technische hulpmiddelen om zicht te verwerven in een woning aan de onderzoeksrechter wordt voorgelegd.
    Vooralsnog zal het gerechtelijk onderzoek systematisch vereist blijven bij bevestiging van de aanhouding door de onderzoeksrechter, d.i. bij voorlopige hechtenis. De definitieve keuze terzake wordt pas gemaakt bij de invoering van het Wetboek van Strafvordering. In afwachting moet de functionaliteit van de voorlopige hechtenis in ere worden hersteld: zij mag immers enkel bij risico op recidive, op onttrekking of op belemmering van het onderzoek worden toegestaan, en is in geen geval te beschouwen als een uitvoering van, minstens een voorschot op de gevangenisstraf vóór het vonnis. Ook de procedure op de controle van de onregelmatigheden wordt hervormd om de vertragingen van de procedure en de gevallen van nietigheid van de hele procedure te beperken.
    Veel besparingen en werklastverminderingen kunnen worden gerealiseerd zodra het openbaar ministerie niet alleen door gerechtsdeurwaardersexploten maar per (aangetekende) brief de dagvaardingen alsook de vonnissen en arresten bij verstek kan betekenen.
    De regeling van de rechtspleging door de raadkamer op het einde van het gerechtelijk onderzoek biedt vaak geen echte meerwaarde en wordt soms een echt “proces vóór het proces”. Daarom wordt die regeling voortaan aan het openbaar ministerie toevertrouwd.
    Ook de procedure ten gronde wordt aangepast om waar mogelijk een sneller en efficiënter verloop te kennen. De conclusies moeten op straffe van onontvankelijkheid op de inleidende zitting of in het kader van een vastgelegde agenda worden neergelegd. Een procedure van “schuldig pleiten” kan in bepaalde zaken de debatten voor de rechtbank beperken.
    Het recht op verzet wordt voorbehouden voor gevallen waarin verstek werd gelaten als gevolg van onder meer overmacht.
    Wie beroep instelt, moet zijn grieven tegen het vonnis aanduiden. Bovendien wordt het recht op beroep van het openbaar ministerie aangepast. Ook de cassatieprocedure wordt gewijzigd om beroepen zonder meerwaarde te vermijden.
    Alle misdaden worden correctionaliseerbaar. Wat de assisenprocedure betreft, nemen de beroepsrechters deel aan de deliberatie van de jury over de schuldvraag.
    Daarenboven wordt de herzieningsprocedure objectiever.
  • Er wordt ingezet op een efficiënt en effectief integraal veiligheidsbeleid. Dit gebeurt via de nieuwe kadernota integrale veiligheid, die wordt voorbereid samen met de FOD Binnenlandse Zaken en in nauw overleg met de deelgebieden. Een integrale en geïntegreerde aanpak inzake terrorisme en radicalisme legt de nadruk op de goede samenwerking tussen de verschillende actoren, een verbetering van de informatie-uitwisseling en een combinatie van de administratieve en de gerechtelijke aanpak. Het werk van de politie-, inlichtingen- en veiligheidsdiensten wordt verbeterd door de ontwikkeling van strategische samenwerkingsverbanden, de oriëntatie van de middelen in functie van de prioriteiten, de optimalisering van het juridisch kader en de verbetering van de processen en technische middelen.
  • Er worden maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat alle gedetineerden in humane omstandigheden worden opgesloten. Deze maatregelen hebben betrekking op de gezondheidszorg van gedetineerden, een onafhankelijk toezicht op de gevangenissen, het klachtenrecht voor gedetineerden en de detentieplanning.
    Ook de rechtspositie van geïnterneerden wordt verbeterd door aanpassing en inwerkingtreding van de wet van 5 mei 2014, door de oprichting van kamers ter bescherming van de maatschappij en door de uitwerking van een eigen interne rechtspositie van geïnterneerden.
    Er wordt werk gemaakt van een zorgtraject voor geïnterneerden, de verdere uitbouw van een forensisch psychiatrisch zorgnetwerk, het wegwerken van de ontbrekende schakels in het bestaande forensisch psychiatrisch zorgnetwerk, en de oprichting van een gespecialiseerd centrum voor observatie en diagnosestelling.

 

De kerntaak van strafrecht, strafvordering en strafuitvoering

  1. Een nieuwe visie op een strafrechtelijk veiligheids- en handhavingsbeleid binnen de samenleving moet tegen het einde van de legislatuur uitmonden in een modern wetboek van strafrecht, een nieuw wetboek van strafvordering en al eerder in een geïntegreerd pakket van wetgeving inzake strafuitvoering en internering. In dit plan wordt enkel besproken wat in voorbereiding moet geschieden, en wat in afwachting al kan gebeuren, tegen de achtergrond van de kerntaken van de klassieke actoren van het strafrecht.
  2. De kerntaak van het openbaar ministerie bestaat erin om in functie van het algemeen belang te oordelen over de opportuniteit om feiten strafrechtelijk te vervolgen, een straf te vorderen en daarbij de aard en zwaarte van de gevorderde straf af te wegen. Daarnaast waakt het openbaar ministerie over de tenuitvoerlegging van de uitgesproken straf.
    De kerntaak van de strafrechter is het beoordelen van de strafbare feiten en de schuld, en finaal het uitspreken van de straf. Daarmee wordt enerzijds maatschappelijk herstel en vergoeding van de schade aan het slachtoffer nagestreefd, en wordt anderzijds de dader terecht gewezen en waar nodig de beveiliging van de maatschappij gewaarborgd.
    De rechter is eveneens de juiste instantie om in onafhankelijkheid en binnen de perken van de wet te oordelen over het verloop van de strafuitvoering en alle daarmee samenhangende beslissingen en maatregelen, daarbij eveneens rekening houdend met de kansen op resocialisatie en herstel.
  3. Het strafrecht kende de voorbije vijftig jaar een exponentiële groei, die zich met de recente bevoegdheidsoverdrachten van uiteenlopende maatschappelijke domeinen naar de deelstaten ook verder doorzet in de decretale bepalingen.
    In die zin weerspiegelt het strafrecht de groeiende complexiteit van de huidige samenleving, die onder meer door de sterk toegenomen mobiliteit en communicatiemogelijkheden een mondiaal karakter heeft gekregen.
    De maatschappelijke schaalvergroting maakt een verandering in het strafrechtsdenken noodzakelijk, waarbij het strafrecht zijn juiste plaats toegewezen krijgt in het geheel van normhandhavende mechanismen. Het vergt ook een fundamentele reflectie omtrent de rol die aan de bestraffing van onwenselijke gedragingen en feiten wordt toebedeeld.
    Zonder diepgaande ingrepen dreigt het strafrecht verder te woekeren waardoor een groot beslag wordt gelegd op de overheidsmiddelen; de efficiëntie, effectiviteit en samenhang vermindert; en het gewenste maatschappelijke resultaat van een strafbaarstelling niet wordt geboekt.
  4. Bedoeling is dat enkel strafwaardige gedragingen voor de strafrechter worden gebracht. Andere vormen zijn administratieve sanctionering, burgerlijke afhandeling en tal van maatschappelijke initiatieven. De strafwaardigheid wordt bepaald aan de hand van de toetsing en weging van een aantal fundamentele en praktische criteria, die in een taxatie instrument (zie lager, nr. 95) worden opgenomen. Dit moet leiden tot een daadwerkelijke reductie van de strafbepalingen in het nieuwe Wetboek van Strafrecht dat wordt voorbereid tegen het einde van de legislatuur.
  5. De strafprocedure wordt op fundamentele punten gewijzigd om een efficiënt en effectief verloop te kennen. De ambitie is dat de rechtsonderhorige gemiddeld binnen de tijdspanne van een jaar per aanleg een gerechtelijke uitspraak krijgt.
    In eenzelfde beweging wordt de voorlopige hechtenis door gerichte maatregelen (verder, nrs. 140-142) opnieuw de oplossing in die gevallen waarin de vrijheidsberoving of, in het geval van elektronisch toezicht, vrijheidsbeperking écht nodig is, namelijk ter beveiliging van de maatschappij, van het onderzoek en van de rechtspleging (recidive, onttrekking, belemmering van het onderzoek), en niet als een voorschot op de straf. Onze gevangenispopulatie bestaat momenteel uit 36% voorlopig gehechten die soms al het belangrijkste deel van hun straf hebben uitgezeten op het moment dat ze gevonnist worden. De voorlopige detentie is evenwel een beveiligingsmaatregel en als zodanig door haar aard, anders dan de gevangenisstraf, niet gericht op maatschappelijk herstel en sociale re-integratie. Daarnaast zijn er ook heel wat gevallen van onwerkzame voorlopige hechtenis.
  6. Om één en ander te verwezenlijken worden op korte termijn een aantal procedurele instrumenten, die maar weinig meerwaarde voor het procesverloop opleveren, geschrapt of gereduceerd, zoals de raadkamer voor de regeling van de rechtspleging, of wordt het misbruik van de toepassing ervan aangepakt.
    Zo ook wordt het recht om verzet aan te tekenen nadat men doelbewust verstek heeft laten gaan, ongedaan gemaakt. Wie beroep aantekent zal zelf moeten aantonen op welke punten hij meent dat de rechter zich in eerste aanleg vergist heeft. Cassatieberoep wordt voorbehouden voor eindbeslissingen.
  7. De systematische tussenkomst van de strafuitvoeringsrechtbank wordt behouden voor zwaar gestraften. Voor licht gestraften komt er in beginsel een automatische vrijstelling van zodra de wettelijke vereisten werden nageleefd.
    Hieronder worden voorstellen gedaan voor een grondige hervorming van (III.1) de misdrijven, (III.2) de strafuitvoering, (III.3) de strafprocedure, (III.4) het veiligheidsbeleid en (III.5) het penitentiair beleid en het beleid rond internering.

 

III.1. Strafrecht: de misdrijven en hun bestraffing

(PP II / regeerakkoord, p. 130-132)

In voorbereiding van het nieuwe Strafwetboek wordt een taxatieinstrument voor strafwaardigheid ontworpen. De vrijheidsstraf wordt het ultimum remedium, voorbehouden voor de bestraffing van zwaardere inbreuken.

 

III.1.1. Wat moet gestraft worden?

  1. De voorgestelde hervormingen vertrekken van een integrale visie op bestraffen, waarbij de strafwaardigheid van misdrijven, het strafrechtelijk vervolgingsbeleid, de straffen en de straffenschaal worden bekeken.
  2. Het aantal strafbepalingen wordt verminderd en vereenvoudigd. Alleen de inbreuken die écht strafwaardig worden beschouwd omdat de door het misdrijf geschonden belangen dermate fundamenteel zijn voor het algemeen maatschappelijk belang en omdat voor de slachtoffers herstel niet mogelijk is via andere wegen, komen nog voor de strafrechter. Zo wordt het strafrecht tot haar kerntaak teruggebracht, namelijk de bestraffing van de ernstige inbreuken. Andere onwenselijke gedragingen worden administratief of waar mogelijk zelfs zuiver burgerrechtelijk afgehandeld.
  3. Om de toets van de strafwaardigheid op een methodische en uniforme wijze te kunnen uitvoeren, wordt tegen midden 2015 een criminologisch onderbouwd “taxatieinstrument” ontwikkeld. Dit instrument laat toe de strafwaardigheid van inbreuken te wegen aan de hand van verschillende criteria en indicatoren. Tevens wordt nagegaan of de strafmaat nog proportioneel is ten opzichte van de ernst van het misdrijf en de aangebrachte schade. Dit instrument moet zorgen dat het strafrecht opnieuw aansluiting kan vinden bij de hedendaagse maatschappelijke realiteit. Aan de hand van dit instrument wordt reeds in 2015 een globale doorlichting van het strafrecht opgestart, te beginnen met deel II van het Strafwetboek, vervolgens de bijzondere strafwetten en ten slotte, in overleg met de deelstaten, ook de decretale strafbepalingen. Deze oefening zal gebeuren door een multidisciplinaire klankbordcommissie die in 2015 door de regering wordt samengesteld, zoals voorzien in het regeerakkoord.
  4. In eenzelfde beweging worden de strafbepalingen ook aan twee bijkomende criteria getoetst, met name:
    1° Dubbel gebruik van strafbepalingen wegwerken door een meer generieke omschrijving van het misdrijf;
    2° Bepaalde misdrijfomschrijvingen worden gemoderniseerd omdat ze niet langer voldoende toepasbaar blijken, bijvoorbeeld ingevolge de technologische realiteit of complexiteit van het financieel bestel.
    De meest dringende aanpassingen, onder meer inzake de cybercriminaliteit of criminaliteit gepleegd via het internet, worden in 2015 reeds doorgevoerd.

 

III.1.2 Welke sancties?

  1. In het kader van de omzetting van de richtlijn 2013/48/EU (de zogenaamde “Salduz-richtlijn”) worden een aantal strafbaarstellingen waarop vandaag een gevangenisstraf van minder dan een jaar staat nader bekeken. Er komt een conversie van die straf naar de nieuwe niet-vrijheidsberovende autonome straffen en naar andere vormen van niet-penale sanctionering. In 2015 zal een multidisciplinaire werkgroep de wetswijzigingen voorbereiden, die overeenkomstig de Salduz-richtlijn uiterlijk op 17 november 2016 in werking treden.
  2. De administratieve sanctionering krijgt een meer uitgebreide toepassing. Daarbij worden de volgende toetsstenen gehanteerd:
    1° Waar de administratieve sanctionering al is ingevoerd (dit is bijvoorbeeld het geval in het sociaal, fiscaal en financieel strafrecht) wordt overwogen om de penale sanctionering af te schaffen. De strafrechtelijke weg wordt immers nog te vaak als de spreekwoordelijke stok achter de deur gebruikt, waardoor het hele bestraffingsmodel aan transparantie inboet en het non bis in idem-beginsel in het gedrang komt.
    2° Waar alleen de penale weg bestaat, wordt (waar opportuun) deze vervangen door een administratieve sanctionering, voor zover een zuiver burgerlijke afhandeling niet zou volstaan.
    3° Voor de overblijvende inbreuken, dat wil zeggen inbreuken die zowel strafrechtelijk als administratief worden beteugeld, wordt onderzocht hoe de “una via”-regeling optimaal kan worden ingesteld of uitgebreid, om de non bis in idem-vereiste op een correcte manier te respecteren en te implementeren. Dat betekent dat eenduidig wordt bepaald wie onder welke voorwaarden voor de sanctionering instaat: de gerechtelijke dan wel de administratieve autoriteiten.
    In lijn met het voorgaande heeft het College van procureurs-generaal reeds het afsluiten van protocollen tussen de procureurs des Konings en de gemeenten gestimuleerd op het stuk van gemeentelijke administratieve sancties (GAS) ter bevestiging van de rol van de plaatselijke overheden bij de uittekening van het strafrechtelijk beleid, zoals reeds het geval in het kader van het zonaal veiligheidsoverleg en het opstellen van zonale veiligheidsplannen.
    Tevens worden nieuwe vormen van bestraffing naast en evenwaardig met de vrijheidsstraf ingevoerd. De straffenschaal wordt hierop afgestemd om opnieuw evenwicht te brengen in de strafrechtelijke sanctionering. Voor de zwaarste inbreuken, de misdaden, blijft de gevangenisstraf de aangewezen straf, als ultimum remedium. Voor de andere inbreuken wordt ingezet op alternatieven.
  3. De nieuwe straffen worden op een logische en coherente manier in het strafwetboek gebracht, met name:
    (Regeerakkoord, p. 131)
  • De probatie als autonome straf: vanaf 1 december 2015 kan de rechter de naleving van bepaalde probatievoorwaarden als afzonderlijke hoofdstraf opleggen. Daarbij kan ook een therapie (bijvoorbeeld een ontwenningskuur) worden opgelegd.
  • Het elektronisch toezicht als een afzonderlijke hoofdstraf: deze wet treedt na reparatie in werking op een door de Koning bepaald tijdstip. Streefdoel hierbij is eind 2015. Er wordt verder geïnvesteerd in de technische voorzieningen en de capaciteit, zodat de straf hier onmiddellijk na uitspraak in uitvoering kan gaan.
    (PP IV / regeerakkoord, p. 131)
  • De bijzondere verbeurdverklaring van goederen die verband houden met een misdrijf of de vermogensvoordelen die uit het misdrijf zijn verkregen, kunnen momenteel slechts als bijkomende straf door de rechter worden opgelegd. Ook deze straf wordt in 2015 als een afzonderlijke hoofdstraf (een autonome vermogensstraf) ingevoerd.
  • Ten slotte wordt onderzocht of en in welke gevallen de verwijdering van het grondgebied van een persoon die bepaalde misdrijven heeft gepleegd en niet over de Belgische nationaliteit beschikt als autonome straf kan worden opgelegd.
  1. Met de invoering van de nieuwe straffen, wordt artikel 7 van het Strafwetboek aangepast, zodat de verschillende nieuwe straffen als afzonderlijke hoofdstraffen kunnen worden opgelegd en op gelijke hoogte worden gesteld.
  2. De gevangenisstraf is de meest punitieve en sociaal ontregelende straf, die de beoogde herintegratie van de veroordeelde het meest bemoeilijkt. De gevangenisstraf is voor de maatschappij ook een erg dure en tegelijk een weinig effectieve vorm van bestraffing. De overheid moet ook rekening houden met de overbevolking van de gevangenissen.
    Deze straf mag daarom maar opgelegd worden wanneer de beveiliging van de maatschappij het vereist of andere straffen onvoldoende ontradend en/of bestraffend lijken, in het licht van de gepleegde feiten. Ook dan moet de aard van het gevangenisregime de re-integratie maximaal mogelijk maken.
  3. Voortaan zou de rechter ten gronde ook het uitstel van de tenuitvoerlegging van de straf kunnen toekennen aan wie reeds voorheen werd veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van maximum drie jaar. In de huidige regeling kan de rechter alleen maar uitstel verlenen indien betrokkene nog niet werd veroordeeld tot twaalf maanden. Deze beperking tot twaalf maanden verhindert de rechter ten gronde al te vaak om aan een beklaagde (probatie)uitstel toe te kennen.

 

III.1.3. Wat moet vervolgd worden?

  1. Tot slot krijgt het openbaar ministerie meer mogelijkheden tot een buitengerechtelijke of alternatieve afhandeling wanneer ze de strafvervolging niet opportuun oordeelt.
  2. De prioriteiten van het vervolgingsbeleid van het openbaar ministerie liggen vervat in de richtlijnen van het strafrechtelijk beleid. Deze geven aanwijzingen omtrent de toepassing van de strafwetten en concrete richtlijnen wanneer de strafrechtelijke vervolging in elk geval is aangewezen, dan wel een alternatieve, administratieve of buitengerechtelijke afhandeling kan worden overwogen.
  3. Waar nodig, zullen ook deze richtlijnen worden herzien en aangepast, in de filosofie van een reductie van het strafrecht. De expertisenetwerken die door het college van Procureurs-generaal worden ingesteld in uitvoering van artikel 143bis, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek krijgen de opdracht om de richtlijnen te analyseren en voorstellen tot wijziging te formuleren.

 

III.2. De strafuitvoering: de vrijheidsstraffen en de externe rechtspositie van veroordeelde gedetineerden

(PP IV / regeerakkoord, p. 136-138)

In de strafuitvoering wordt de wetgeving rond de externe rechtspositie grondig aangepast waardoor veroordeelden met gevangenisstraffen tot en met vijf jaar in principe automatisch worden vrijgesteld wanneer de wettelijke voorwaarden zijn vervuld. Voor veroordeelden met straffen boven de vijf jaar blijft de systematische tussenkomst van de strafuitvoeringsrechtbank vereist. De vervroegde invrijheidstelling zal minimaal de helft bedragen van de veroordeling. De bestaande minima van een derde en twee derden worden erdoor vervangen.

  1. Alle strafrechtelijke veroordelingen moeten worden uitgevoerd volgens een duidelijk wettelijk kader. Dat is een belangrijk principe in een rechtsstaat.
  2. Bij de toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit of een invrijheidstelling voor de gestraften tot en met vijf jaar dient de strafuitvoeringsrechtbank niet altijd tussen te komen. Een invrijheidstelling moet mogelijk zijn op grond van in de wet bepaalde criteria en mits het opleggen van voorwaarden aan de veroordeelde die gedurende een bepaalde proeftijd moeten nageleefd worden, op straffe van herroeping. Deze wettelijk verankerde rechtszekerheid creëert werklastvermindering bij de rechterlijke orde in de beslissingsprocedure en bij de penitentiaire administratie en de justitiehuizen in de fase van de adviesverlening.
  3. De strafuitvoeringsrechtbank moet tussen komen voor de gestraften boven de vijf jaar zodat hier altijd adviesverlening en een tegensprekelijk debat gewaarborgd zijn. De wet bepaalt uiteraard de materiële en formele principes. De strafrechter ten gronde zal bij de veroordeling van zeer zware misdrijven een beveiligingsperiode kunnen opleggen (zie verder, nr. 120).
  4. Bijna een vierde van de gedetineerden heeft geen verblijfsrecht in België. Er moet in de wetgeving een duidelijk onderscheid komen tussen de veroordeelden met en zonder recht op verblijf. Veroordeelden zonder verblijfsrecht moeten effectiever en sneller van het grondgebied verwijderd kunnen worden. Bij ongewettigde terugkeer zal de vrijstelling herroepen worden waardoor deze veroordeelden hun strafrestant moeten uitzitten.

 

III.2.1. Huidige situatie

De externe rechtspositie heeft betrekking op beslissingen rond de definitieve of tijdelijke invrijheidstelling van gedetineerden. De huidige regeling, die uitgaat van de systematische tussenkomst van de strafuitvoeringsrechtbanken, is echter nog niet in werking getreden voor de gestraften tot en met drie jaar. Vandaag worden bepaalde lichte straffen zelfs niet of onvoldoende uitgevoerd. Er is nood aan een wetgevend optreden.

  1. De externe rechtspositie van veroordeelden verwijst naar de rechten en plichten van de gedetineerde bij de uitvoering van zijn straf buiten de inrichting (extra muros) en betreft het geheel van regels die de duur van de effectieve vrijheidsbeneming in de gevangenis bepalen. In de volksmond verwijst men nog steeds naar de oude, afgeschafte wet “Lejeune” wanneer gesproken wordt over de invrijheidstelling.
    De externe rechtspositie heeft daarnaast betrekking op beslissingen inzake penitentiair verlof, uitgaansvergunningen en strafonderbreking, maar ook de beperkte detentie en het elektronisch toezicht.
  2. Bij de externe rechtpositie staat de relatie van de gedetineerde tot de samenleving centraal. De beslissingen hebben immers als gevolg dat de veroordeelde zijn vrijheid van komen en gaan geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of definitief, herwint of behoudt en zo naar de vrije samenleving terugkeert of er in blijft. Sinds de inwerkingtreding van de desbetreffende wetten van 2006 worden de belangrijkste beslissingen over de uitvoering van vrijheidsstraffen, zoals de vervroegde invrijheidstelling en de alternatieve modaliteiten van strafuitvoering, genomen door de strafuitvoeringsrechtbanken. Daardoor wordt het gros van beslissingen over de externe rechtspositie van veroordeelden genomen door de rechterlijke macht, waar voordien de minister van Justitie deze beslissingen nam. Deze werkwijze van algemeen geldende regels die worden toegepast door rechtbanken zorgt voor transparantie, rechtszekerheid en rechtvaardigheid bij de uitvoering van de straffen.
  3. De genoemde wetgeving van 2006 is echter niet in werking getreden voor de veroordeelden met een geheel aan straffen tot drie jaar gevangenisstraf waardoor de beslissingen inzake de vervroegde invrijheidstelling en de alternatieve modaliteiten voor die categorie van veroordeelden nog steeds door de minister van Justitie worden genomen en niet door de strafuitvoeringsrechtbank.
    Om verschillende redenen is dit problematisch. De laatste decennia is het inzicht gegroeid dat de uitvoering van vrijheidsstraffen best geregeld wordt via algemeen geldende wetgeving die wordt toegepast door rechters, eerder dan via beslissingen van de uitvoerende macht. Bovendien laten de bestaande omzendbrieven toe dat bepaalde effectieve hoofdgevangenisstraffen (tot 4 maanden) niet worden uitgevoerd of dat er een uitvoering is van minder dan één derde. Conform het regeerakkoord moeten alle straffen worden uitgevoerd. Een nieuw wetgevend initiatief dat een uitvoering van alle rechterlijke beslissingen waarborgt, dringt zich dan ook op.

 

III.2.2. Modernisering van de externe rechtspositie van gedetineerden

(PP IV / regeerakkoord, p. 136- 138)

a)      Algemeen

De wetgeving wordt grondig aangepast waardoor de veroordeelden met een gevangenisstraf tot en met vijf jaar in principe automatisch worden vrijgesteld wanneer de wettelijke voorwaarden zijn vervuld. Voor de veroordeelden met straffen boven de vijf jaar blijft de systematische tussenkomst van de strafuitvoeringsrechtbank vereist.

  1. Vanuit de bekommernis om ook de uitvoering van straffen tot drie jaar onder de hoede te brengen van de rechterlijke orde en om een logisch evenwicht in de externe rechtspositie te brengen, wordt voorgesteld om een nieuwe wet te maken, vertrekkende vanuit volgende basisprincipes.
  2. De beslissingen over de uitgaansvergunningen en het penitentiair verlof blijven, als maatregelen inherent aan het gewoon regime van een veroordeelde, behoren tot de beslissingsbevoegdheid van de minister van Justitie. Deze maatregelen kunnen vanaf een bepaald tijdstip aan de veroordeelde worden toegekend indien aan voorwaarden is voldaan. De inhoud van de betreffende bepalingen van de wet van 17 mei 2006 wordt op dat punt grotendeels overgenomen in de nieuwe wet.
  3. De andere beslissingen blijven onder de bevoegdheid ressorteren van de bestaande, multidisciplinair samengestelde strafuitvoeringsrechtbanken, bestaande uit een magistraat-rechter die als voorzitter functioneert, bijgestaan door twee assessoren-lekenrechters met ervaring in de strafuitvoering en de sociale re-integratie. Voor bepaalde beslissingen kan de alleenzetelende strafuitvoeringsrechter oordelen. Het openbaar ministerie wordt waargenomen door gespecialiseerde parketmagistraten. De rechtbanken zijn reeds meer dan acht jaar operationeel en voldoen aan de verwachtingen.
  4. Voor de toekenning van de vervroegde invrijheidstellingen, de beperkte detentie en het elektronisch toezicht wordt in de nieuwe wet een onderscheid gemaakt tussen de veroordeelden met een geheel aan gevangenisstraffen tot en met vijf jaar en de veroordeelden met straffen boven de vijf jaar.
    Voor de eerste categorie wordt een automatische vrijstelling (vrijstelling van rechtswege) het principe, waardoor iemand op een vast tijdstip zijn vrijheid automatisch herwint volgens de voorwaarden die wettelijk zijn bepaald, zonder tussenkomst van de strafuitvoeringsrechtbank. Het openbaar ministerie behoudt wel in elk geval de mogelijkheid om de zaak toch voor te leggen aan de strafuitvoeringsrechtbank.
    Voor de tweede categorie is er altijd een beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank vereist, zoals vandaag het geval is.
    Voor beide categorieën zal een mogelijke herroeping van een strafuitvoeringsmodaliteit of invrijheidstelling altijd dienen te gebeuren door de rechtbank op vordering van het openbaar ministerie. Na een herroeping kan de veroordeelde niet meer van rechtswege vrijgesteld worden maar enkel na een nieuwe beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank.
b)      Nieuwe gerationaliseerde tijdsvoorwaarden

De vervroegde invrijheidstelling zal minimaal de helft bedragen van de veroordeling. De bestaande minima van een derde (bij een eerste bestraffing) en twee derden (bij recidive) worden erdoor vervangen.Bij recidive zal de uitvoering tot beloop van de helft de resocialisatie ten goede komen omdat de incentive om de volledige straf uit te zitten, zonder voorwaarden en resocialisatie-inspanning, wordt weggenomen.

  1. De tijdsvoorwaarde voor de toekenning van een vervroegde invrijheidstelling zal principieel in alle gevallen minimaal de helft bedragen van de veroordelingen. Er is geen onderscheid meer tussen primaire straffen en straffen uitgesproken in staat van herhaling. Dit betekent dat de huidige minimale vereiste van uitboeting van een derde in principe wordt opgetrokken naar de helft van de straf en dat de twee derde voor de straffen in herhaling wordt gereduceerd naar de helft van de straf. Daarvoor zijn enkele goede redenen aan te halen.
  2. Het ondergaan van slechts een derde van de uitgesproken veroordeling is proportioneel te weinig, zeker voor de relatief hogere straffen. Zo goed als nergens in Europa is het breukdeel zo laag. Het doet te veel afbreuk aan de initieel door de rechter uitgesproken straf. Het is niet uitgesloten dat procureurs in hun strafmaatvordering en rechters in hun straftoemetingsbeslissing al te zeer rekening houden met dit lage breukdeel in de uitvoering.
  3. De minimale twee derden uitvoering, in geval van herhaling, is in de ratio en de filosofie van de nieuwe wet dan weer disproportioneel en in vele gevallen contraproductief voor de re-integratie van de veroordeelde en de beveiliging van de maatschappij.
  • Ten eerste laten de regels van de herhaling in de strafwet toe dat de rechter ten gronde al een hogere straf uitspreekt. Door aan die mogelijkheid van strafverzwaring in de straftoemeting ook nog eens een strengere tijdsvoorwaarde te koppelen in de uitvoering, wordt de effectieve bestraffing in feite dubbel verhoogd.
  • Ten tweede heeft de minimaal twee derden uitvoering tot gevolg dat sommige veroordeelden niet streven of werken naar een vervroegde invrijheidstelling met oplegging van voorwaarden binnen een proeftijd maar kiezen voor de uitboeting (het passief “uitzitten”) van alle straffen met als gevolg dat zij geen inspanning doen tijdens de detentie om herstelgerichte activiteiten op te nemen of re-integratie bevorderende programma’s te volgen of in het vooruitzicht te plaatsen na de vervroegde invrijheidstelling. Dergelijke veroordeelden komen dan op het strafeinde abrupt in de samenleving, hoeven verder geen voorwaarden te ondergaan en zijn dan meteen ongecontroleerd en onbehandeld bij gebrek aan een proeftermijn. Dit kan allerminst de bedoeling zijn in het kader van de re-integratie én de noodzakelijke opvolging en controle van ex-gedetineerden.
  • Dat dit actueel een niet te onderschatten probleem is, tonen criminologische studies en rapporten aan (onder andere van het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie – NICC). Onderzoekers stellen vast dat veroordeelden met een geheel aan straffen boven de drie jaar de vroegste toelaatbaarheidsdatum voor een vervroegde invrijheidstelling ruim overschrijden vooraleer zij voorwaardelijk vrij gaan. Meer dan de helft van deze populatie boet tussen de 40 en de 70% van de (resterende) detentietijd uit. Van wie wordt vrijgesteld, zit bijna één derde zelfs alle straffen uit zonder via voorwaardelijke invrijheidstelling vrij te komen. Het vrij gaan op strafeinde is vooral sterk vertegenwoordigd bij de veroordeelden die straffen uitzitten met een totaal tussen de drie en de vijf jaar en tussen de vijf en de zeven jaar. Aard van het misdrijf, staat van herhaling, penitentiaire antecedenten, lengte van de strafmaat, al dan niet voorafgaande verkrijging van alternatieve modaliteiten en leeftijd van betrokkene spelen een belangrijke rol in de beoordeling van de strafuitvoeringsrechtbanken. Maar ook de stroeve adviesverlening en de complexiteit van de beslissingsprocedure zorgen voor bottlenecks in de uitstroom van veroordeelden, niet in het minst voor de categorie van de “lichter” gestraften tussen de drie en de vijf jaar.
  • Ten derde mag niet worden vergeten dat aan de veroordeelden met straffen tot vijf jaar bij de van rechtswege vrijstelling op principieel de helft van de straf, altijd voorwaarden zullen worden opgelegd die gedurende een proeftermijn van jaren dienen te worden nageleefd. Het openbaar ministerie kan bij schending van de voorwaarden de zaak voorleggen aan de rechtbank met het oog op de herroeping.
  • Ten slotte is voor de categorie van veroordeelden boven de vijf jaar de uitvoering van de helft van de straf een minimale toelaatbaarheidsdatum. Het betekent dat de strafuitvoeringsrechtbank vanaf de uitboeting van de helft van de straf het dossier kan onderzoeken voor de mogelijke toekenning van een vervroegde invrijheidstelling. Voor levenslang gestraften is de minimale toelaatbaarheidsdatum vijftien jaar zoals vandaag reeds het geval is.
  1. Naast deze basisbeginselen zal, in overeenstemming met het regeerakkoord, voor bepaalde zeer ernstige misdrijven, zoals terroristische feiten die de dood tot gevolg hebben, verkrachting of aanrandingen van de eerbaarheid met de dood tot gevolg, foltering met de dood tot gevolg, ontvoering van minderjarigen met de dood tot gevolg, moord of moordaanslag op politieambtenaren of wanneer een levenslange opsluiting wordt uitgesproken, aan de bodemrechter de mogelijkheid worden gegeven om een beveiligingsperiode uit te spreken. Voor straffen van bepaalde duur kan die periode maximum twee derde van de uitgesproken straf bedragen, vóór de afloop waarvan geen vervroegde invrijheidsstelling mogelijk is. Voor de levenslang veroordeelden kan dat twintig jaar zijn.
  2. Deze basisprincipes van een toekomstige nieuwe wet worden hierna uitgewerkt, volgens de geschetste categorieën van veroordeelden met straffen in uitvoering tot vijf jaar en voor veroordeelden boven de vijf jaar.
c)       Concrete voorstellen

Veroordeelden tot een gevangenisstraf tot en met vijf jaar zullen automatisch vrijkomen na de helft van hun straf, tenzij het openbaar ministerie de zaak aanbrengt voor de strafuitvoeringsrechtbank. Voor de veroordeelden met straffen boven de vijf jaar blijft de systematische tussenkomst van de strafuitvoeringsrechtbank vereist.

  1. Veroordeelden met een straftotaal tot en met vijf jaar zullen automatisch vrijkomen na de helft van de uitboeting van hun straf, tenzij het openbaar ministerie zich daartegen verzet en de zaak toch voor de strafuitvoeringsrechtbank brengt.
  2. Minstens twaalf maanden voor de toelaatbaarheidsdatum tot de invrijheidstelling zal aan de veroordeelde die recht op verblijf heeft, een beperkte detentie of elektronisch toezicht kunnen worden toegekend, zoals in de huidige regeling al grotendeels het geval is. Ook dit kan automatisch, tenzij er verzet is van het openbaar ministerie. Voor de veroordeelden zonder recht op verblijf zal de wet bepalen dat zij binnen een periode van zes maanden vóór de toelaatbaarheid tot een vrijstelling ook reeds vrijgesteld kunnen worden mits effectieve terugkeer naar het land van herkomst. Deze periode moet de gevangenisadministratie en de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) toelaten de verwijdering van het grondgebied en de repatriëring effectief voor te bereiden en uit te voeren. Ook hier kan het openbaar ministerie zich tegen verzetten.
  3. De invrijheidstelling zal steeds gepaard gaan met de naleving van voorwaarden gedurende een bepaalde proeftijd. De voorwaarden zijn het verbod om strafbare feiten te plegen, de verplichting om een vast adres te hebben en om te reageren op oproepingen vanwege gerecht, justitiehuizen en politie. Voor de veroordeelden zonder recht op verblijf komt daarbij de voorwaarde om niet terug te keren naar België gedurende de proeftermijn. Er kunnen ook steeds slachtoffergerichte voorwaarden worden opgelegd, zoals bijvoorbeeld contactverboden en de regeling van de schadevergoeding of het herstel. Op voorstel van de gevangenisdirecteur en/of het openbaar ministerie kunnen nog andere voorwaarden worden opgelegd om de reclassering uit te voeren of om tegemoet te komen aan mogelijke tegenaanwijzingen. Een voorbeeld daarvan is het volgen van een begeleiding en/of therapie. De veroordeelde moet instemmen met deze voorwaarden, zo niet komt er geen invrijheidstelling.
  4. Het openbaar ministerie zal een vrijstellingsdossier van een veroordeelde met een bepaalde problematiek altijd kunnen voorleggen aan de strafuitvoeringsrechtbank. Dit betekent dat er dan geen automatische vrijstelling komt, maar dat een eventuele toekenning ervan de beslissing vergt van de strafuitvoeringsrechtbank. Het openbaar ministerie baseert zich voor de weigering van vrijstelling van rechtswege onder andere op het advies van de gevangenisdirectie en de daaraan verbonden psychosociale dienst. De strafuitvoeringsrechtbank kan dan de vrijstelling alleen toekennen wanneer ze daaraan algemene en desgevallend bijzondere voorwaarden koppelt.
  5. Indien de veroordeelde, die in vrijheid is gesteld, de voorwaarden niet naleeft, de integriteit van derden ernstig in gevaar brengt of nieuwe strafbare feiten pleegt tijdens de proeftermijn, zal het openbaar ministerie de veroordeelde kunnen dagvaarden tot herroeping voor de strafuitvoeringsrechtbank. In dringende gevallen kan het openbaar ministerie overgaan tot de voorlopige aanhouding waarna de strafuitvoeringsrechtbank of de strafuitvoeringsrechter beslist tot schorsing en herroeping.
  6. Voor de veroordeelden met een straftotaal van meer dan vijf jaar is altijd de tussenkomst van de strafuitvoeringsrechtbank vereist voor toekenning of afwijzing van een vrijstelling of een strafuitvoeringsmodaliteit. De inhoud van de wet van 17 mei 2006 zal grotendeels worden overgenomen in de nieuwe wet. Na uitboeting van de helft van de straffen, na vijftien jaar ingeval van een levenslange veroordeling of na het einde van de beveiligingsperiode, zal de strafuitvoeringsrechtbank de vervroegde invrijheidstelling kunnen toekennen indien zij oordeelt dat de reclassering op punt staat en er geen tegenindicaties zijn die betrekking hebben op het recidivegevaar, het onttrekkingsgevaar of het risico tot het lastig vallen van de slachtoffers.

 

III.2.3. Veroordeelden zonder recht op verblijf

(PP II / regeerakkoord, p. 136)

De wetgeving wordt aangepast om erin te voorzien dat personen zonder verblijfstitel kunnen worden in vrijheid gesteld op voorwaarde dat zij in principe niet terugkeren naar België na vrijlating en verwijdering van het grondgebied.

a)      Onderscheid veroordeelden met en zonder recht op verblijf

In de externe rechtspositie wordt snel een duidelijker onderscheid gemaakt tussen veroordeelden met en veroordeelden zonder recht op verblijf in België.

  1. Bijna een kwart van de penitentiaire bevolking bestaat uit personen zonder verblijfstitel. Het is bijgevolg aangewezen om in de externe rechtspositie van veroordeelden nu al een scherper onderscheid te maken tussen veroordeelden die wel en veroordeelden die niet in het land mogen blijven na de vrijstelling. Om die reden wordt in afwachting van een nieuwe wet met betrekking tot de externe rechtspositie van veroordeelden volgende wijzigingen aangebracht aan de wet van 17 mei 2006.
b)      Modaliteiten van strafuitvoering

Mensen zonder verblijfsrecht komen niet in aanmerking voor alternatieve strafuitvoeringsmodaliteiten, gericht op integratie in de Belgische samenleving.

  1. De strafuitvoeringsmodaliteiten van uitgaansvergunning, penitentiair verlof, beperkte detentie en elektronisch toezicht zijn gericht op de herintegratie in de Belgische samenleving. Mensen zonder wettig verblijf komen daar niet voor in aanmerking, aangezien zij geen duurzame toekomst in ons land kunnen uitbouwen maar integendeel verplicht zijn het grondgebied te verlaten. De bedoeling is om de wetgeving zo te hervormen dat zoveel als mogelijk complementariteit wordt bereikt met het migratie- en terugkeerbeleid en de beslissingen van de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ).
c)       De invrijheidstelling van personen zonder recht op verblijf

Een voorlopige invrijheidstelling voor niet-verblijfsgerechtigden wordt steeds gekoppeld aan de dwingende voorwaarde van niet-terugkeer naar België.

  1. De voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied is vandaag niet gedefinieerd in de wet. In de rechtspraktijk rijzen ook twijfels of deze vrijstelling aan bijzondere voorwaarden kan worden onderworpen, bijvoorbeeld het verbod tot terugkeer naar België gedurende een bepaalde proeftijd. Het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat het wel degelijk gaat om een modaliteit van strafuitvoering zoals de voorwaardelijke invrijheidstelling en dat er voorwaarden verbonden zijn aan die invrijheidstelling. Een reparatie van de wet dringt zich op.
  2. De nieuwe omschrijving zal inhouden in dat deze invrijheidstelling een modaliteit van strafuitvoering is die toegepast wordt op personen die geen recht hebben op verblijf in België. Ze gaat altijd gepaard met voorwaarden die gedurende een wettelijk bepaalde proeftijd dienen te worden nageleefd. De belangrijkste voorwaarde is het verbod van terugkeer naar België, tenzij de veroordeelde in regel is met het verblijfsrecht én de strafuitvoeringsrechtbank hem dat zou toelaten. De overtreding van de voorwaarden kan tot herroeping van de invrijheidstelling leiden. Aangezien de veroordeelden zonder recht op verblijf vaak alle straffen ondergaan, door de niet toekenning van een vervroegde invrijheidstelling door de strafuitvoeringsrechtbanken of door eigen keuze, wordt in de wet voorzien dat deze veroordeelden zes maanden voor het bereiken van het einde van de straf(fen) op beslissing van de minister van Justitie effectief verwijderd kunnen worden van het grondgebied. Momenteel is dit in de wet beperkt tot twee maanden hetgeen in de praktijk een te korte duur is om de repatriëring effectief te organiseren.

 

III.2.4. De gerechtsbrief bij strafuitvoering

(PP II)

De gerechtsbrief wordt vervangen door een gewone aangetekende brief of door een gewone brief bij gedetineerden.

  1. De gerechtsbrief is in de wet van 17 mei 2006 in de meeste gevallen het middel om partijen op te roepen of om hen beslissingen mee te delen. Het gebruik van de gerechtsbrief is in vele gevallen niet opportuun en kan worden vervangen door een gewone aangetekende brief. Wanneer de veroordeelde zich in de gevangenis bevindt, kan een gewone brief worden verstuurd met toepassing van het KB nr. 236 van 20 januari 1936 tot vereenvoudiging van sommige vormen van de strafvordering ten opzichte van de gedetineerden.
  2. Deze evolutie moet worden beschouwd in het licht van twee andere belangrijke vernieuwingen:
  • De wettelijke woonstkeuze van de rechtsonderhorige op het adres van zijn advocaat (zie hoger, nr. 73)
  • De invoering van de elektronische communicatie tussen de gerechtelijke instellingen en de juridische beroepen (zie lager, nr. 286)

III.3. De strafprocedure

(PP II, regeerakkoord, p. 132-135)

 

III.3.1. Naar een nieuw Wetboek van Strafvordering (tegen 2018)

De strafvordering wordt hervormd en vereenvoudigd met het oog op meer efficiëntie, snelheid en coherentie, zonder te raken aan de fundamentele rechten van de partijen. Het vooronderzoek in strafzaken wordt tegen het einde van de legislatuur grondig hervormd en krijgt een eenduidig en vereenvoudigd wettelijk kader. Er wordt daartoe een keuze gemaakt voor een geïntegreerd vooronderzoek door het openbaar ministerie dan wel voor het behoud van twee vormen van vooronderzoek, naargelang de ernst en de complexiteit van de te onderzoeken misdrijven.

  1. In opdracht van de vorige minister van Justitie werkte de Universiteit Gent een grondige studie uit naar de knelpunten in de huidige Belgische strafprocedure.[1] De onderzoeksploeg werd begeleid door een begeleidingscomité en een expertengroep waarin de actoren van de strafprocedure waren vertegenwoordigd. In het verlengde daarvan werd de draad opgenomen voor fundamentele herziening van het Wetboek van Strafvordering. Een belangrijke vraag die daarbij zal moeten worden beantwoord is o.a. welk lot wordt voorbehouden aan het gerechtelijk onderzoek. Die vraag kan slechts worden beantwoord na rijp beraad.
  2. In afwachting van de globale hervorming van het strafprocesrecht kunnen al wel punctuele maatregelen worden genomen waarvan kan worden aangenomen dat ze de werklast onmiddellijk positief zullen beïnvloeden en de procedure efficiënter maken, zonder te raken aan de fundamentele rechten van de partijen in de procedure. Hieronder worden concrete maatregelen voorgesteld, die de fase van het vooronderzoek efficiënter kunnen maken.

 

III.3.2. Punctuele hervormingen van de strafprocedure

III.3.2.1. ‘Kleine’ hervorming van het vooronderzoek

De uiteindelijke doelstelling is om in strafzaken, net zoals in burgerlijke zaken, rechtspraak te krijgen binnen een gemiddelde van 1 jaar per aanleg.

Hieronder worden concrete maatregelen voorgesteld, die de fase van het vooronderzoek efficiënter kunnen maken.

a)      Uitbreiden van de mini-instructie en andere opsporingsmethoden

(PP II / regeerakkoord, p. 132)

Een gerechtelijk onderzoek zal niet meer systematisch nodig zijn wanneer een verzoek tot huiszoeking, inkijkoperatie, telefoontap of observatie met gebruik van technische hulpmiddelen aan de onderzoeksrechter wordt voorgelegd.

  1. De zogenaamde mini-instructie, waarbij de procureur des Konings de onderzoeksrechter kan vorderen voor het verrichten van bepaalde onderzoeksdaden, zonder dat dit automatisch tot een gerechtelijk onderzoek leidt, wordt uitgebreid tot de huiszoeking, de inkijkoperatie, de telefoontap en de observatie met gebruik van technische hulpmiddelen om zicht te verwerven in een woning. Dergelijke onderzoeksdaden worden dus nog steeds aan een rechter voorgelegd en zullen, indien deze rechter dit opportuun oordeelt, alsnog aanleiding kunnen geven tot een diepgaander gerechtelijk onderzoek. Maar in de regel zullen zij dat niet doen. Wel kan voor convergentie gezorgd worden door steeds dezelfde rechter van het onderzoek bevoegd te maken voor opeenvolgende onderzoeksdaden. En voor alle duidelijkheid, indien het tot een aanhouding komt, wordt het onderzoek sowieso gerechtelijk.
  2. De meerwaarde van het verhoor in het vooronderzoek is de voorbije jaren afgenomen ten voordele van andere onderzoeksdaden, en in het bijzonder daden van meer technische aard. Dit is te verklaren, enerzijds doordat er meer tegenspraak in het vooronderzoek werd ingebracht ingevolge de verplichte bijstand van de verdachte door een advocaat van bij het eerste verhoor van een verdachte, en anderzijds door sterk verbeterde wetenschappelijke methoden op het stuk van toxicologie, DNA-onderzoek, enzovoort.
  3. In complexe dossiers van georganiseerde criminaliteit krijgen de opsporingsdiensten nieuwe instrumenten aangeboden, zoals een spijtoptantenregeling, om de waarheidsvinding in gevoelige dossiers van zware en georganiseerde criminaliteit te bevorderen zonder dat deze de rechten op verdediging hypothekeren of de gelijkheid tussen partijen in gevaar brengen.
  4. Ook de limitatieve lijst van inbreuken waarvoor het intercepteren van telecommunicatie kan worden gemachtigd wordt verder uitgebreid, onder meer tot inbreuken op de wapenwetgeving, de nieuwe bepalingen inzake terroristische misdrijven en radicalisme[2], de wederrechtelijke aanhouding (art. 147 en 434 SW.) en de aanranding van de eerbaarheid (art. 372 SW.).
b)      De voorlopige hechtenis

(PP II / grondwetswijziging)

De voorlopige hechtenis moet zijn daadwerkelijke functionaliteit hervinden in het gevaar op recidive, op vlucht of op belemmering van het onderzoek. De procedure wordt tegelijkertijd efficiënter.

  1. De penitentiaire instellingen in België worden (mee) bevolkt met ongeveer één derde (36%) verdachten (in voorlopige hechtenis). De toepassing van de voorlopige hechtenis is dus mee verantwoordelijk voor de blijvende overbevolking en vergt een kritische doorlichting. De voorlopige hechtenis werd, gezien de zware impact van de maatregel op de persoonlijke vrijheid van de betrokkene, door de wetgever bedacht als een uitzonderingsmaatregel, te beperken tot situaties waar de openbare veiligheid, het verdere verloop van het onderzoek en de finale berechting van de verdachte in het gedrang zouden komen door de invrijheidstelling. Alhoewel de in de wet bepaalde criteria voor de voorlopige hechtenis reeds behoorlijk restrictief en streng zijn voor het afleveren van een aanhoudingsmandaat, hebben ze in de rechtspraktijk nooit geleid tot de beoogde vermindering van het toepassen ervan. De vrijheidsberoving onder de vorm van een voorlopige hechtenis mag geen “voorschot” zijn op de latere bestraffing ten gronde. Niet alleen geldt tijdens de voorlopige hechtenis het vermoeden van onschuld, bovendien is het penitentiair regime van de voorlopig gehechten niet gericht op maatschappelijk herstel of sociale re-integratie. Wie dus zijn straf bijna of helemaal heeft uitgezeten in voorlopige detentie tegen het tijdstip dat hij effectief wordt gevonnist, ondergaat geen aan zijn vergrijp aangepaste straf.
  2. Meerdere aanpassingen van de voorlopige hechtenis worden daarom voorgesteld:
    De procedure van de voorlopige hechtenis wordt vereenvoudigd, waardoor onregelmatigheden worden voorkomen. Niet alleen worden de voorschriften op straffe van nietigheid herbekeken, in lijn met de globale aanpak van de procedurele onregelmatigheden (zie lager, nrs. 143-148), maar de procedurevoorschriften worden ook eenduidig en uniform gemaakt.
    De termijn voor de verlenging van de voorlopige hechtenis wordt in alle gevallen gebracht op twee maanden.
    De totale duur van de voorlopige hechtenis wordt in de tijd begrensd.
  • Indien het feit voor de verdachte een correctionele hoofdgevangenisstraf van één jaar tot en met drie jaar tot gevolg kan hebben, kan de voorlopige hechtenis alleen uitgevoerd worden onder elektronisch toezicht.
  • Indien het feit voor de verdachte een correctionele hoofdgevangenisstraf van meer dan drie jaar tot en met vijf jaar tot gevolg kan hebben, wordt de maximumtermijn van de voorlopige hechtenis in de gevangenis door de wetgever in de tijd beperkt (bv. tot vier maanden). Na die termijn kan de voorlopige hechtenis alleen verder uitgevoerd worden onder elektronisch toezicht.
  • Voor de misdrijven die bestraft kunnen worden met gevangenisstraf of opsluiting boven vijf jaar, wordt na zes maanden voorlopige hechtenis in de gevangenis, een bijzondere motiveringsplicht opgelegd aan de rechter wanneer hij de verdere uitvoering van de voorlopige hechtenis niet onder elektronisch toezicht beveelt.
    De maximumduur wordt dus gedifferentieerd naargelang de zwaarte van het misdrijf en de toepasbare strafmaat. De beperking in de tijd en/of de bijzondere motiveringsplicht zullen een positieve impact hebben op een spoedige afhandeling van het onderzoek. De magistratuur wordt door deze maatregel gesensibiliseerd om de opportuniteit van de voorlopige hechtenis steeds af te toetsen aan de mogelijke latere bestraffing.
    Deze aanpassingen van de Voorlopige Hechteniswet kunnen gepaard gaan met een herziening van de straffenschalen en van de strafmaten voor bepaalde misdrijven die nog de sporen dragen van een erg op eigendom gerichte 19e eeuw die minder problemen had met gewelddadigheid. Om de openbare veiligheid te waarborgen zou op bepaalde categorieën van misdrijven, zoals bijvoorbeeld gewelds- en zedendelicten, een hogere maximum strafmaat kunnen worden gesteld. Voor andere categorieën, zoals bepaalde eigendoms- en vermogensmisdrijven, zou de traditionele hoge strafmaat kunnen zakken. Deze aanpassingen zullen ook gepaard gaan met de voorgestelde rationalisering van de strafprocedure (o.a. m.b.t. de regeling van de rechtspleging die wordt herzien). Valkuilen en misbruiken die het verloop van het gerechtelijk onderzoek vertragen en dus ook een invloed hebben op de duur van de voorlopige hechtenis, moeten wettelijk worden uitgesloten.
    Een groot deel van de voorlopig gehechten heeft geen recht op verblijf in België. Het is precies deze categorie van illegale gedetineerden die het langst in voorhechtenis blijft. Gelet op het feit dat deze personen geen band hebben met het Rijk en dat ook naar de toekomst niet mogen hebben, moeten deze snel kunnen verwijderd worden van het grondgebied en dus uit de arresthuizen. In het strafprocesrecht moet gezocht worden naar een manier van snelle berechting (snelrecht) van de hun ten laste gelegde feiten, naar een loutere bestraffing onder de vorm van de uitvoering van een effectieve repatriëring of naar een procedure van bijzondere vertegenwoordiging op de zitting ten gronde door een raadsman na instemming van de betrokkene.
    Vandaag is het mogelijk om tegen de beschikking van de raadkamer tot verlenging in beroep te gaan bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Dan kan nog cassatieberoep worden ingesteld. Nochtans zijn dergelijke beschikkingen van de kamer van inbeschuldigingstelling geen eindbeschikkingen. In de praktijk hebben deze cassatieberoepen daarom weinig kans op slagen. Het ware beter het cassatieberoep opnieuw voor te behouden voor de eindbeschikking.
  1. De evolutie in de Europese rechtspraak en regelgeving inzake het recht op bijstand van de verdachte bij verhoor omtrent strafbare feiten waarop een vrijheidsberovende straf staat, heeft het voor de politiediensten en het openbaar ministerie bijzonder moeilijk gemaakt om binnen de eerste aanhoudingsperiode van 24 uur alle noodzakelijke onderzoeksdaden te stellen. Hierdoor zijn de voorleiding bij de onderzoeksrechter, de verdere aanhouding, en meteen dus ook een gerechtelijk onderzoek dikwijls een praktische noodzaak geworden. Er moet worden onderzocht of het mogelijk is om de aanhoudingstermijn van 24 uur te verlengen tot 48 of zelfs 72 uur. Deze termijn van 24 uur, die vandaag enkel verlengbaar is door de onderzoeksrechter in het kader van een gerechtelijk onderzoek, is momenteel bepaald in het (voor herziening vatbare) artikel 12, derde lid, van de Grondwet, waardoor deze hervorming maar mogelijk is mits aanpassing van de Grondwet. De aanpassing is zinvol om de onderzoekers toe te laten de nodige initiële onderzoeksdaden te stellen. Deze langere termijn moet ook toelaten om al een beter zicht te hebben op de nood om een aanhoudingsmandaat af te leveren. Op die manier zal er minder nood zijn aan een voortgezette aanhouding, waardoor ook de gevallen van onwerkdadige hechtenis zullen verminderen.

 

III.3.2.2. Onregelmatigheden in de procedure

(PP II / regeerakkoord, p. 132-133)

De procedure op de controle van de onregelmatigheden wordt hervormd om de vertragingen van de procedure en de gevallen van nietigheid van de hele procedure te beperken.

  1. Het gebeurt te vaak dat onregelmatigheden, dikwijls van puur vormelijke aard, leiden tot de onontvankelijkheid van de vorderingen en de nietigheid van de gehele procedure. Een dergelijke sanctie staat in de meeste gevallen niet in verhouding tot het reële gewicht van de onregelmatigheid en de draagwijdte van de schending van de rechten van verdediging.
  2. Conform het regeerakkoord , dient de procedure op de controle van de onregelmatigheden zo snel mogelijk te worden hervormd.
    In het verleden hebben pogingen om een sluitend systeem tot zuivering der nietigheden voor de onderzoeksgerechten in te stellen, gefaald. Immers, dezelfde onregelmatigheden die voor de onderzoeksgerechten worden opgeworpen blijken in de praktijk dikwijls opnieuw te worden ingeroepen voor de bodemrechter, onder een andere vorm of door een andere partij.
  3. Het is de bodemrechter die opnieuw de natuurlijke rechter moet worden om de onregelmatigheden te beoordelen. Hij is bovendien beter geplaatst dan het onderzoeksgerecht, aangezien hij het geheel van het dossier moet beoordelen en dus ook de globale betrouwbaarheid van het bewijs.
  4. In de toekomst zal een onregelmatigheid in de procedure slechts voor de bodemrechter en op de inleidende zitting (in limine litis) kunnen worden opgeworpen. Zo kan de rechter oordelen of hij de onregelmatigheid vooraf wil onderzoeken, dan wel in de globale beoordeling van de zaak meeneemt.
  5. In de fase van het vooronderzoek zal het openbaar ministerie wel de mogelijkheid behouden om voor de kamer van inbeschuldigingstelling de manifeste onregelmatigheid van een in het onderzoek vastgestelde nietigheid te vorderen, om te vermijden dat een verderzetting van het onderzoek bij voorbaat ondoelmatig is. Manifeste onregelmatigheden kunnen desgevallend het onderzoek beëindigen. Maar ook wanneer een potentiële onregelmatigheid niet als manifest wordt beoordeeld, zou het de bodemrechter vrijstaan om later opnieuw het onregelmatigheidsonderzoek te voeren.
  6. Tevens zal de mogelijkheid worden onderzocht om de verdediging toe te laten om bij het afsluiten van het onderzoek manifeste onregelmatigheden aan de kamer van inbeschuldiging voor te leggen voor een voorafgaande controle, weliswaar zonder mogelijkheid cassatieberoep in te stellen tegen de weigering van de kamer van inbeschuldiging (aangezien manifeste onregelmatigheden nog steeds kunnen worden opgeworpen voor de rechter ten gronde, en lange debatten kunnen vergen).

 

III.3.2.3. Versterken van de instrumenten van buitengerechtelijke afhandeling

(PP II / regeerakkoord, p. 133)

Lang niet alle zaken moeten of kunnen leiden tot strafvervolging. Het openbaar ministerie krijgt meer instrumenten om, waar opportuun, de zaak buitengerechtelijk af te handelen. Het sepot omwille van technische redenen wordt meer autonoom afgehandeld door de politie, om de parketten van zuiver administratieve taken te ontlasten.

a)      Het sepot

De politiediensten moeten, onder controle van de parketten, de sepotbeslissingen kunnen nemen om technische redenen (zoals de onmogelijkheid om de dader te identificeren).

  1. Niet alle strafbare feiten vergen ook een strafrechtelijke vervolging. Dit principe, dat vervat ligt in de Grondwet en het Wetboek van Strafvordering, dient, zoals reeds omschreven in het hoofdstuk rond de hervorming van het strafrecht (zie hoger, nrs. 93-105), ook verder te worden gehuldigd. In plaats van een penale bestraffing kan een andere opvolging aangepaster zijn, zoals een administratieve of zelfs burgerlijke afhandeling, een buitengerechtelijke afhandeling of een sepotbeslissing.
  2. Vandaag dienen de parketten nog heel veel dossiers zonder gevolg te stellen, d.i. te seponeren, hetgeen een grote werklast meebrengt, gelet op het talrijke aantal noodzakelijke beslissingen tot sepot. Er moet een onderscheid worden gemaakt naar de aard van de sepotbeslissing. Slechts een deel van de sepotbeslissingen wordt genomen op basis van opportuniteitsoverwegingen, terwijl een ander (groot) deel is gestoeld op technische redenen, zoals de onmogelijkheid om de dader te identificeren. Deze laatste categorie hoeft niet langer aan de parketten te worden bezorgd. Het nazicht kan even goed georganiseerd worden op het niveau van de politie zelf, waarbij structureel nazicht door de officier van gerechtelijke politie gebeurt en de parketmagistraat slechts steekproefsgewijs de dossiers controleert.
  3. Dit ligt in het verlengde van de reeds bestaande regeling met betrekking tot de vereenvoudigde processen-verbaal (VPV) en het ambtshalve politioneel onderzoek (APO), waarin de politiediensten hun verantwoordelijkheid opnemen in het kader van een ketengerichte aanpak.
    Uiteraard worden duidelijke criteria bepaald, om geen afbreuk te doen aan de beginselen van legaliteit en loyaliteit, noch aan de invulling van de begrippen leiding, gezag en verantwoordelijkheid van de procureur des Konings.
  4. Benevens het sepot moet stevig worden ingezet op instrumenten waarmee het openbaar ministerie, telkens wanneer zij dat opportuun oordeelt, strafzaken alternatief en buitengerechtelijk kan afhandelen, met verval van de strafvordering tot gevolg.
b)      De minnelijke schikking (art. 216bis Sv.)

De toepassing van de minnelijke schikking wordt verfijnd en het openbaar ministerie wordt aangemoedigd om hierin een coherent en evenwichtig strafrechtelijk beleid te voeren. Het College van Procureurs-generaal wordt verzocht om in 2015 de nodige aanpassingen aan de bestaande richtlijnen ter zake voor te bereiden.

  1. De minnelijke schikking werd bij de wetten van 14 april 2011 en 11 juli 2011, zowel wat betreft het materieel als het formeel toepassingsgebied, sterk verruimd. De zaken waarvoor de minnelijke schikking kan worden voorgesteld zijn alle strafbare feiten waarvoor de procureur des Konings meent dat het niet moet gestraft worden met een hoofdstraf van meer dan twee jaar correctionele gevangenisstraf. Tegelijk wordt de minnelijke schikking mogelijk gemaakt in alle fasen van het hangende geding (zelfs wanneer de zaak reeds hangende is in beroep).
  2. De toepassing van de verruimde minnelijke schikking (voluit “verruimd verval van strafvordering tegen betaling van een geldsom” genoemd) maakt het voorwerp uit van een richtlijn van het College van procureurs-generaal (COL 6/2012), die na een looptijd van twee jaar een eerste keer geëvalueerd werd door de dienst voor het strafrechtelijk beleid.
  3. De resultaten van deze evaluatie blijken positief. De aanbevelingen geven aanleiding tot verfijning en verbetering van de richtlijnen en eventuele punctuele aanpassingen in de wetgeving. Ook zou kunnen overwogen worden om de minnelijke schikking te vermelden in het strafregister zodat met het gegeven rekening kan worden gehouden bij de bepaling van de strafmaat voor een later strafbaar feit, evenwel zonder dat de regels van de herhaling spelen. Het College van Procureurs-generaal heeft ook zelf aangegeven werk te willen maken van een performant en nog beter gecoördineerd strafrechtelijk beleid omtrent de toepassing ervan.
  4. Het is een beginnende praktijk van een alternatief buitengerechtelijk afhandelingsbeleid op niveau van het openbaar ministerie, dat nog in volle evolutie is en waarvan een goede toepassing vele mogelijkheden biedt om nodeloos lange en complexe strafprocedures te vermijden en tot een snelle vergoeding te komen van de aan het slachtoffer toegebrachte schade of inning van de ontdoken fiscale en sociale rechten, met een stevige geldboete als ontradende sanctie.
c)       Het betalingsbevel

(PP IV / regeerakkoord, p. 133)

Het bevel tot betalen geeft de fiscale ontvanger meteen een uitvoerbare titel tot invordering van de som. Het wordt uitvoerbaar gesteld voor wegverkeerzaken en verruimd tot bepaalde feiten van gemeen strafrecht. Dit ontneemt de parketten en correctionele rechtbanken nodeloze werklast. Dit wordt in 2015 in een afzonderlijk wetsontwerp geregeld.

  1. Bij de wet van 22 april 2012 werd het bevel tot betalen ingevoerd voor inbreuken op de wetgeving inzake het wegverkeer.
    Het bijzondere aan het betalingsbevel is dat er in vele gevallen geen rechtbank meer aan te pas komt om de fiscale ontvanger een uitvoerbare titel te geven tot invordering van de som.
    Voor onbetaalde onmiddellijke inningen en minnelijke schikkingen stuurt de procureur des Konings een betalingsbevel naar de overtreder, die daartegen eventueel bezwaar kan aantekenen en de zaak voor de rechtbank kan brengen. Het initiatief ligt dan echter bij de overtreder.
  2. Een reparatiewet is echter noodzakelijk om de huidige wet uitvoerbaar te maken. De huidige wet voorziet immers dat het bezwaar aan het parket wordt bezorgd, die dan de politierechtbank moet vatten, terwijl het efficiënter is de rechtbank rechtstreeks te vatten door het bezwaar ter griffie te laten indienen. Er wordt overwogen om de procedure, waarbij de verdachte het betalingsbevel moet betwisten om te vermijden dat de inning uitvoerbaar wordt, ook toe te passen op bepaalde feiten van gemeen strafrecht. Sinds de programmawet van 22 december 2008 kan de fiscus de penale boetes ook toerekenen op de fiscale tegoeden.
d)      De bemiddeling in strafzaken (art. 216ter Sv.)

(PP IV / regeerakkoord, p. 133)

De bemiddeling in strafzaken wordt verruimd, zodat zij ook kan worden toegepast voor zogenaamde “slachtofferloze” misdrijven (zoals bijvoorbeeld drugszaken). De verruiming van het wettelijk kader wordt bepaald na afstemming met de deelstaten en het College van Procureurs-generaal.

  1. Zoals aangegeven in het regeerakkoord, dient ook deze vorm van buitengerechtelijke afhandeling te worden verruimd, onder meer tot de zogenaamde “slachtofferloze” misdrijven, waar het algemeen maatschappelijk belang en de goede rechtsorde in het gedrang komen en waarvoor het openbaar ministerie het belang van de slachtoffers behartigt, en dus een zuivere dader-slachtoffer-bemiddeling niet mogelijk is.
  2. Een dergelijke verruiming zorgt ervoor dat de bemiddeling in strafzaken, waaraan nu reeds financiële middelen zijn gekoppeld uit het Globaal Plan (het subsidiekanaal van de omkadering van alternatieve gerechtelijke maatregelen), ook geschikt wordt om lopende proefprojecten voor “slachtofferloze misdrijven” een wettelijk kader te bieden (zoals bijvoorbeeld het project proefzorg te Gent, de “conseiller stratégique drogues” te Luik of de drugsbehandelingskamer in de rechtbank van eerste aanleg te Gent).

 

III.3.2.4. De betekening van de dagvaarding

(PP II / regeerakkoord, p. 133)

Veel besparingen en werklastverminderingen worden gerealiseerd zodra het openbaar ministerie niet alleen door gerechtsdeurwaardersexploten maar ook elektronisch of per aangetekende brief de dagvaardingen alsook de vonnissen en arresten per verstek kan betekenen.

  1. Zoals in de burgerlijke procedure (zie hoger, nr. 73), worden de betekeningen en de communicaties in de strafprocedure efficiënter gemaakt.
    De huidige procedure van betekening door middel van een gerechtsdeurwaardersexploot kan in vele gevallen worden ingeruild voor een eenvoudiger en goedkoper systeem dat evenveel waarborgen biedt, met name via een aangetekend schrijven en eventueel ook een gewone brief.
    Bovendien moet de partij die regelmatig werd gedagvaard maar niet verscheen, niet opnieuw worden gedagvaard in geval van uitstel van het onderzoek van de zaak naar een bepaalde datum.
  2. Waar mogelijk moeten ook de mogelijkheden van de digitale weg optimaal worden gebruikt, mits de nodige waarborgen voor toegankelijkheid en kennisneming kunnen worden geboden.

 

III.3.2.5. De regeling van de rechtspleging

(PP II / regeerakkoord, p. 132-133)

De regeling van de rechtspleging door de raadkamer op het einde van het gerechtelijk onderzoek biedt vaak geen echte meerwaarde en vormt soms een echt “proces vóór het proces”. Daarom wordt dit voortaan aan het openbaar ministerie toevertrouwd.

  1. Bij een gerechtelijk onderzoek is de regeling van de rechtspleging een zeer zware stap in de procedure, die veel inspanningen vergt van de magistraten, zowel van de zetel als van het openbaar ministerie.
    Zonder afbreuk te willen doen aan de kwaliteit van de magistraten die dit uitvoeren, moet worden vastgesteld dat deze stap – die er enkel op gericht is om vast te stellen of er voldoende ‘bezwaren’ zijn – in de meeste gevallen geen echte meerwaarde oplevert voor de procedure en een evenwichtig procesverloop.
    Ofwel blijken de bezwaren ten laste dermate voor de hand liggend dat de verwijzing zich automatisch opdringt, ofwel degenereert deze fase tot een soort proces, dat aan het echte proces voorafgaat, en dat jarenlang kan aanslepen.
    Deze verspilling van tijd, energie en capaciteit is in de huidige rationaliseringscontext niet langer te verantwoorden.
  2. Zonder afbreuk te doen aan de bestaande waarborgen zoals het recht van de burgerlijke partij om tegen de beslissing tot buitenvervolgingstelling beroep in te stellen of om bijkomende onderzoekshandelingen te vragen, wordt overwogen om de beslissing om een zaak al dan niet voor de strafrechter te brengen in de regel aan het openbaar ministerie toe te vertrouwen, zoals bij het afsluiten van een opsporingsonderzoek.
  3. Deze keuze impliceert geen voorafname op de meer fundamentele keuze voor een onderzoeksrechter dan wel een rechter van het onderzoek die in de globale hervorming van de strafprocedure moet worden genomen. De regeling van de rechtspleging komt immers pas nadat de onderzoeksrechter zelf zijn onderzoek als voltooid beschouwt en het dossier aan de procureur des Konings heeft toegezonden. Het recht van een burgerlijke partij om in beroep te gaan tegen de beslissing van de procureur des Konings om de zaak op dat ogenblik – dit is na het gerechtelijk onderzoek – alsnog te seponeren, zou aan de kamer van inbeschuldigingstelling kunnen worden toevertrouwd.
  4. In dit scenario zal ook de beslissing tot opschorting of internering niet meer door de raadkamer worden genomen. De bodemrechter is echter even goed geplaatst om deze beoordeling te maken. Daarenboven kan het openbaar ministerie ook andere oplossingen overwegen dan de dagvaarding voor de correctionele rechtbank, zoals het voorstellen van een minnelijke schikking (de verruimde toepassing van het instrument, zelfs na verwijzing van de zaak naar de bodemrechter, bestaat ook nu reeds), een bemiddeling in strafzaken of een (voorlopige) buitenvervolgingstelling wegens opportuniteitsredenen, eerder dan de correctionele rechtbanken onnodig te belasten.
  5. De verwijzing naar het hof van assisen zou tot de bevoegdheid van de kamer van Inbeschuldigingstelling blijven behoren.

 

III.3.2.6. De procedure ten gronde

(PP II / regeerakkoord, p. 132-133)

Ook de procedure ten gronde wordt aangepast om waar mogelijk een sneller en efficiënter verloop te kennen.

a)      Conclusies

(PP II / regeerakkoord, p.132-133)

De conclusies in strafzaken moeten op straffe van onontvankelijkheid op de inleidende zitting of in het kader van een vastgelegde agenda worden neergelegd.

  1. Het neerleggen van conclusies in strafzaken getuigt vandaag niet steeds van een grote proceseconomische efficiëntie. Zo komt het voor dat partijen uit strategische overwegingen bepaalde zwaarwichtige middelen, die bij aanvang van de rechtspleging kunnen worden opgeworpen, pas op het einde van de debatten opwerpen, om de behandeling te vertragen of de afgesproken kalender voor de debatten in de war te sturen. Om dit te vermijden zal worden bepaald dat de middelen in de regel op de inleidende zitting dienen te worden opgeworpen of dat een door de strafrechter vastgelegde agenda voor de conclusies dient te worden gerespecteerd, op straffe van onontvankelijkheid.
b)      Guilty plea

(PP IV / regeerakkoord, p. 133)

Een procedure van “schuldig pleiten” zou in bepaalde zaken de debatten voor de rechtbank beperken.

  1. Er wordt een procedure van “schuldig pleiten” in de strafprocedure ingevoerd, naar het voorbeeld van het Franse “comparution sur reconnaissance préalable de culpabilité” of de “guilty plea” en “plea bargaining” in het Angelsaksische recht.
  2. De voorafgaande erkenning van schuld leidt ertoe dat er geen debatten worden gevoerd omtrent het bewijs van schuld. Anders dan bij de (verruimde) minnelijke schikking, bekent de verdachte schuld, hetgeen leidt tot een effectieve veroordeling door de strafrechter. Daarbij kan de medewerking van de verdachte in aanmerking worden genomen om een lagere straf te vorderen en op te leggen.

 

III.3.2.7. Verstek en verzet

(PP II / regeerakkoord, p. 133)

Het recht op verzet wordt voorbehouden voor gevallen waarin verstek werd gelaten ingevolge overmacht of waarvoor een geldige verantwoording kan worden gegeven.

  1. Vandaag blijven partijen soms afwezig om vervolgens de verzetsprocedure na verstek aan te wenden als een strategie om de procedure te vertragen. Voor overtredingen, waarvoor de verjaringstermijn slechts 6 maanden of 1 jaar bedraagt, kan hiermee worden getracht om het verval van strafvordering door verjaring uit te lokken. Het is in sommige gevallen een praktijk geworden om dezelfde zaak drie tot zelfs vier keer door de bodemrechter te laten behandelen.
  2. Het recht op verzet dient daarom te worden beperkt, met name tot die gevallen waarin de verstek latende partij overmacht of een andere geldige verantwoording kan aantonen, en (in eerste aanleg) op geen enkel moment in de procedure is verschenen.
    Deze ingreep levert een efficiëntiewinst op doordat het recht op verzet niet langer als een bewuste verdedigingsstrategie kan worden aangewend.

 

III.3.2.8. Beroep

(PP II / regeerakkoord, p. 132-133)

Wie beroep instelt, moet zijn grieven tegen het vonnis aanduiden. Bovendien wordt het recht op beroep van het openbaar ministerie aangepast.

  1. Zoals in het burgerlijk procesrecht, wordt ernaar gestreefd om van een definitieve kwaliteitsvolle afhandeling in eerste aanleg de regel te maken. Specifiek in strafzaken worden te dien einde de volgende maatregelen vooropgesteld:
  • De beroepsprocedure wordt hervormd in de zin dat de grieven tegen het betwiste vonnis duidelijk moeten worden aangegeven in de beroepsakte. Bij het instellen van beroep zal de appellant dus precies moeten aanduiden op welke punten hij van mening is dat de rechter in eerste aanleg zich heeft vergist. Dit betekent ook dat het vonnis in eerste aanleg en de grieven daartegen, als startpunt de basis vormen voor de debatten in hoger beroep. De zaak wordt met andere woorden niet zomaar ten gronde overgedaan.
  • Het openbaar ministerie krijgt de mogelijkheid om een “volgappel” in te stellen: in bepaalde gevallen beschikt het openbaar ministerie immers over een kortere beroepstermijn dan de verdediging ingevolge een verschillend startpunt van de beroepstermijn (dit is bijvoorbeeld het geval bij het hoger beroep tegen een vonnis bij verstek). In dergelijke gevallen zal het openbaar ministerie over de mogelijkheid beschikken om in het beroep te volgen.
  • Het openbaar ministerie zal ten slotte ook afstand kunnen doen van een reeds ingesteld zgn. volgberoep of zal dat beroep kunnen beperken, in het geval de in eerste aanleg veroordeelde besluit om afstand te doen van het beroep dat door hem werd ingesteld en het openbaar ministerie eveneens akkoord kan gaan met het behoud van de uitspraak in eerste aanleg.

 

III.3.2.9. Cassatieberoep

(PP II / regeerakkoord, p. 132-133)

De cassatieprocedure wordt aangepast om beroepen zonder meerwaarde te vermijden.

  1. Ook de cassatieprocedure kent een aantal misbruiken die zullen worden rechtgezet. Bepaalde mogelijkheden om het beroep in te stellen worden inderdaad aangewend om de zaak te vertragen, nog vóór ze voor de bodemrechter komt, zonder een effectieve meerwaarde te bieden.
  2. Zo bijvoorbeeld:
  • bepaalde mogelijkheden van onmiddellijk cassatieberoep, die de behandeling van de zaak nog vóór ze voor de bodemrechter wordt gebracht, vertragen, zonder een reële meerwaarde op te leveren (cf. het nieuwe artikel 420 van het Wetboek van Strafvordering);
  • de verplichte mededeling van het verzoek tot onttrekking van een zaak aan de rechter (artikel 545 van het Wetboek van Strafvordering);
  • de prejudiciële vragen aan het Hof van Cassatie in zaken van bescherming van mededinging (artikelen IV.75 en IV.76 van het wetboek van economisch recht).

 

III.3.2.10. Assisen

(PP II, grondwetswijziging / regeerakkoord, p. 132-133)

Alle misdaden worden correctionaliseerbaar. Wat de assisenprocedure betreft, nemen de beroepsrechters deel aan de deliberatie van de jury over de schuldvraag.

  1. Artikel 150 van de Grondwet bepaalt dat “de jury wordt ingesteld voor alle criminele zaken, alsmede voor politieke misdrijven en drukpersmisdrijven, behoudens voor drukpersmisdrijven die door racisme of xenofobie ingegeven zijn.” Hiermee wou de grondwetgever een democratische deelname van het volk in de berechting van de zwaarste feiten en persmisdrijven voorzien. In de praktijk is dit echter reeds lang niet meer het geval. Het grootste deel van de misdaden wordt immers gecorrectionaliseerd en voor de beroepsrechters van de correctionele rechtbank en het hof van beroep gebracht.
  2. De rechtspleging voor het hof van assisen is geen garantie voor betere rechtspraak dan een behandeling door beroepsrechters.
    De assisenprocedure is zwaar, de samenstelling van de jury is niet steeds representatief voor de diversiteit van onze samenleving is en de risico’s op pogingen tot beïnvloeding van de juryleden door bedreiging of geweld op hun familie en naasten, zijn in het geval van zware en georganiseerde criminaliteit niet denkbeeldig.
    Bovendien is in complexe dossiers, waarin bijvoorbeeld gespecialiseerde en technische onderzoeksmethoden werden aangewend, ook de specialisatie en ervaring van de beroepsrechter een meerwaarde tegenover de volksjury, om de waarde en de wettigheid van het aangeleverde bewijs correct te kunnen inschatten.
    Tot slot brengen deze procedures voor justitie een bijzonder zware kost mee voor de organisatie van het proces en de noodzakelijke beveiligingsmaatregelen.
  3. Met de wet van 21 december 2009 werd de procedure reeds aangepast aan bepaalde vereisten van een eerlijke procesvoering in de zin van artikel 6 van het EVRM (meer bepaald wat betreft de motivering van de uitspraken van de jury). Deze wetswijziging heeft echter geen antwoord geboden op de steeds weerkerende kritieken op de assisenprocedure.
    Daarom worden in ieder geval maatregelen genomen om de bestaande procedure aan te passen, met name om de deelname van de beroepsrechters aan de deliberatie over de schuldvraag te voorzien. De voorstellen die reeds in 2005 door de toenmalige Commissie voor de hervorming van het hof van assisen werden geformuleerd zullen hier als inspiratiebron gelden.
  4. Daarnaast zouden in eerste instantie alle misdaden correctionaliseerbaar worden gemaakt, waarbij echter voor de huidige categorie van (nog) niet-correctionaliseerbare misdaden, het automatische effect van de correctionalisering op de strafmaat en de verjaringstermijn wordt tenietgedaan. Indien het parket niet correctionaliseert, blijft de verwijzing naar het Hof van Assisen voor de misdaden mogelijk via de Kamer van Inbeschuldigingstelling.
    In een volgende fase kan eventueel overwogen worden om ook de grondwetsbepaling[3] aan te passen, in functie van een definitieve keuze over het lot van de assisenprocedure, die hetzij tot de afschaffing ervan, hetzij tot een uitzonderingsprocedure voor een bepaalde categorie van zeer zware misdrijven zal leiden.

 

III.3.2.11. Herziening van veroordelingen

(PP IV / regeerakkoord, p. 132-133)

De herzieningsprocedure wordt objectiever gemaakt.

  1. Ondanks alle in de procedure ingebouwde proceswaarborgen en rechten van verdediging, blijft rechtspraak een menselijke zaak, waarbij vergissingen kunnen gebeuren of naderhand fouten aan het licht kunnen komen.
  2. Het aangebrachte leed kan dan natuurlijk niet meer volledig worden tenietgedaan, maar een objectieve procedure om in gevallen van gerechtvaardigde twijfel de herziening van de zaak te vragen (onverenigbaarheid tussen veroordelingen, een getuigenis die naderhand vals is gebleken, nieuwe feiten of omstandigheden die slechts aan het licht zijn gekomen na het proces) kan het vertrouwen van de burger in de rechtvaardigheid van justitie alleen maar ten goede komen.
  3. De huidige herzieningsprocedure in artikel 443 en volgende van het Wetboek van Strafvordering is op diverse punten voor verbetering vatbaar, onder meer wat betreft de advies verlenende instantie voor of tegen de herziening en de omschrijving van nieuwe feiten of omstandigheden die voor de herziening in aanmerking kunnen worden genomen.

 

III.4. Een efficiënt en effectief integraal veiligheidsbeleid

(PP II / regeerakkoord, p. 144-154 en 157-161)

Een efficiënt en effectief integraal veiligheidsbeleid wordt gerealiseerd via een nieuwe kadernota integrale veiligheid en door een integrale en geïntegreerde aanpak inzake terrorisme en radicalisme.

 

III.4.1. De kadernota Integrale Veiligheid (tegen eind 2015)

(Kadernota / regeerakkoord, p. 146) 

De nieuwe kadernota integrale veiligheid wordt voorbereid samen met de FOD Binnenlandse Zaken en in nauw overleg met de deelgebieden en wordt vóór eind 2015 gerealiseerd zodat het de nota is afgestemd op de beleidscyclus van het Nationaal Veiligheidsplan.

  1. De beginselen van een integrale en geïntegreerde aanpak van veiligheidsproblemen, worden sinds meer dan 10 jaar in de kadernota integrale veiligheid en in de onderscheiden nationale en zonale veiligheidsplannen onderschreven.
    Een integrale en geïntegreerde aanpak betekent dat men de veiligheidsproblemen over de grenzen van de verschillende departementen en bestuursniveaus heen bekijkt, en dat men de inspanningen van alle betrokken actoren op elkaar afstemt.
  2. In deze aanpak wordt ook een ketenbenadering vooropgesteld, waar bij ieder nieuw initiatief rekening wordt gehouden met de gevolgen voor de andere schakels van de strafrechtelijke veiligheidsketen.
    In tal van domeinen is een ketenaanpak door alle betrokken actoren, over alle bestuursniveaus heen, fundamenteel om de veiligheidsaanpak efficiënt en effectief te maken:
  • Proefprojecten als bijvoorbeeld het “protocol van moed” inzake kindermishandeling of het “CO3” inzake de problematiek van geweld in het gezin tonen aan dat een casusgerichte samenwerking tussen justitie en politie, zorg- en hulpverlening en de ondersteunende instellingen van de lokale en provinciale besturen de beste kansen op slagen bieden.
  • Eenzelfde samenwerking is nodig voor de aanpak van delinquenten met een onderliggende verslavingsproblematiek. Zoals de evaluaties van projecten zoals “Proefzorg”; of de “Conseiller stratégique” op het niveau van het parket; of nog de Drugsbehandelingskamer op het niveau van de zetel reeds voldoende hebben aangetoond, levert het samenspel tussen preventie, vroegdetectie met doorverwijzing naar verplichte effectieve hulpverlening, en de justitiële afhandeling als stok achter de deur of als faciliterende factor erg bemoedigende resultaten af wat betreft het voorkomen van recidive en herval.
    Daarnaast moet ook worden vermeden dat er dubbel gebruik is van middelen en bevoegdheden tussen partners, zodat de schaarse middelen optimaal worden benut.
  1. Met de bevoegdheidsoverdrachten in de Zesde Staatshervorming is de uitdaging om een integrale en geïntegreerde beleidsaanpak te ontwikkelen nog crucialer geworden. Het samenwerkingsakkoord van 7 januari 2014 stelt bovendien omtrent het strafrechtelijk beleid en het veiligheidsbeleid de redactie van een nieuwe kadernota integrale veiligheid en het volgende nationaal veiligheidsplan in de filosofie van het samenwerkingsfederalisme voorop.
    De nieuwe kadernota en nationaal veiligheidsplan zullen dus tot stand worden gebracht in nauwe samenwerking tussen de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten en de lokale bestuursoverheden, ieder voor wat betreft zijn respectievelijke bevoegdheden. De Interministeriële Conferentie (IMC) Veiligheids- en Handhavingsbeleid zal zich eind 2015 over de voorstellen buigen.
    Samen met de FOD Binnenlandse Zaken zal justitie het voortouw nemen in de voorbereiding en coördinatie van de werkzaamheden om tot een ontwerp van een nieuwe kadernota integrale veiligheid te komen, voor de start van de nieuwe beleidscyclus van de politie.

 

III.4.2. Integrale en geïntegreerde aanpak inzake terrorisme en radicalisme

(Actieplan/Regeerakkoord, p. 145-146 en 157-161)

Een integrale en geïntegreerde aanpak inzake terrorisme en radicalisme legt de nadruk op de goede samenwerking tussen de verschillende actoren, een verbetering van de informatie-uitwisseling en een combinatie van de administratieve en de gerechtelijke aanpak.

  1. De versterking van de maatregelen op het vlak van terrorisme en radicalisme is een kernaspect van het regeerakkoord en van de algemene beleidsverklaring van de minister van Justitie. De gebeurtenissen van januari 2015 versterken het belang van die inspanningen alleen maar.
  2. Verschillende centrale actoren in de bestrijding van terrorisme vallen onder de bevoegdheid van de minister van Justitie:
  • de Veiligheid van de Staat: de bestrijding van terrorisme is een van haar belangrijkste prioriteiten. Haar inlichtingenwerk moet gericht zijn op opsporing van terrorisme en extremisme, daarna op de follow-up zodat de andere bevoegde overheden makkelijker maatregelen kunnen nemen;
  • de federale gerechtelijke politie: de belangrijkste rol ervan bestaat erin zaken met betrekking tot terrorisme te onderzoeken onder leiding van het federaal parket of van de onderzoeksrechter (meestal het federaal parket). Dat gebeurt in het bijzonder op het niveau van de gedeconcentreerde gerechtelijke politiediensten, dat wil zeggen op het niveau van de arrondissementen. De centrale directies van de gerechtelijke politie spelen ook een sleutelrol, in het bijzonder de centrale directie van operaties inzake gerechtelijke politie, de centrale directie van de bestrijding van de zware en georganiseerde criminaliteit (voor de strategische visie en de coördinatie maar ook voor het werk van de Federal Computer Crime Unit), de centrale directie van technische en wetenschappelijke politie, de directie van de speciale eenheden en daarin de Central Technical Interception Facility (NTSU/CTIF);
  • het federaal parket heeft de belangrijkste taak bij de leiding van de onderzoeken inzake terrorisme op het niveau van het parket en de onderzoeksrechters gespecialiseerd in terrorisme;
  • het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse (OCAM/OCAD) moet zich opnieuw concentreren op zijn evaluatieopdracht en die ontwikkelen zodat het risico dat bepaalde personen vormen (bijvoorbeeld wanneer zij terugkeren uit Syrië) geïndividualiseerd kan worden beoordeeld;
  • de Cel voor Financiële Informatieverwerking moet haar activiteit inzake de bestrijding van de financiering van terrorisme verder uitbouwen; mo
  • de penitentiaire inrichtingen: gelet op de helaas grote rol van de gevangenis in het radicaliseringsproces. Zij moeten het actieplan inzake de aanpak van de radicalisering in de gevangenissen tegen eind 2015 ten uitvoer leggen. De doelstelling van het actieplan bestaat enerzijds uit het vermijden dat gedetineerden geradicaliseerd worden tijdens hun verblijf in de gevangenis en anderzijds uit het uitwerken van een gespecialiseerde omkadering van geradicaliseerde personen tijdens hun detentie.
  1. De eerste as waarrond wordt gewerkt, moeten de vereenvoudiging en de verduidelijking van de bestaande werk- en coördinatiestructuren beogen, met als resultaat een geoptimaliseerde informatiestroom tussen de actoren, niet alleen de hoger vermelde actoren die onder de bevoegdheid van justitie vallen, maar ook andere actoren die op verschillende niveaus aanwezig zijn (geïntegreerde politie, douane, militaire inlichtingen, crisiscentrum, Nationale Veiligheidsoverheid, Buitenlandse Zaken, vervoer, evenals de actoren bevoegd op het niveau van de deelstaten). Dat zal inzonderheid gebeuren via de herziening van het Plan “R” (plan “radicalisme” dat in 2006 is goedgekeurd) waarin die aangelegenheden worden aangepakt zodat de opsporing van radicalisme en het nemen van maatregelen als gevolg daarvan, verbeteren. De in het kader van de circulaire van 25 september 2014 (inzake het informatiebeheer en de maatregelen voor de opvolging van de foreign fighters) opgezette structuren moeten in de komende maanden ook in dit kader worden geïntegreerd.
  2. De tweede as betreft de combinatie van de administratieve aanpak en de gerechtelijke aanpak. België werd lang gekenmerkt door een focus op de repressieve aanpak gericht op het strafbaar feit, waarbij de klemtoon dan ook op de bewijsgaring lag. Die dimensie is essentieel maar volstaat niet aangezien het gedragingen zijn die niet alleen de veiligheid van de burger aantasten maar ook die van de Belgische staat en samenleving in hun geheel. Daarom is het noodzakelijk beter gebruik te maken van de administratieve aanpak gericht op een vermindering van het veiligheidsrisico. Dat vereist inzonderheid dat het informatiebeheer wordt herbekeken en dat gegevens uit een gerechtelijk dossier mogen worden gebruikt voor administratieve doeleinden (zoals de intrekking van het paspoort of de identiteitskaart of de bevriezing van vermogensbestanddelen), zonder dat afbreuk wordt gedaan aan het strafrechtelijk onderzoek. Deze noodzaak werd onlangs bevestigd door de regering en er is een werkgroep opgericht om tegen het einde van het jaar verbetervoorstellen te doen.
    Die combinatie van de administratieve aanpak en de gerechtelijke aanpak wordt sinds vele jaren vooral uitgewerkt in Nederland in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit en de drugshandel maar ook in Frankrijk in de bestrijding van terrorisme (bevriezing van de vermogensbestanddelen, verbod om het grondgebied te verlaten, verbod op bepaalde groeperingen).

 

III.4.3. Verbeteren van het werk van de politie-, inlichtingen- en veiligheidsdiensten

(Regeerakkoord, p. 145-146 en 160-163)

Het werk van de politie-, inlichtingen- en veiligheidsdiensten wordt verbeterd door de ontwikkeling van strategische samenwerkingsverbanden, de oriëntatie van de middelen in functie van de prioriteiten, de optimalisering van het juridisch kader en de verbetering van de processen en technische middelen.

  1. De coördinatie tussen de centrale actoren inzake veiligheid is des te meer essentieel aangezien de verhoogde dreiging samenvalt met een moeilijk budgettair kader. Er zijn verschillende oriëntaties nodig:

 

III.4.3.1. Strategische samenwerkingsverbanden creëren, versterken en vergemakkelijken

(Regeerakkoord, p. 145-146 en 160-163)

  1. Het samenwerkingskader tussen de politie-, inlichtingen- en veiligheidsdiensten maar ook tussen die diensten en andere actoren zoals de administratieve overheden kan worden vergemakkelijkt door de verbetering van de strategische samenwerkingsverbanden.
  2. De oprichting van de Belgian Intelligence Academy is een voorbeeld voor de samenwerking tussen beide Belgische inlichtingendiensten op het niveau van de opleiding van analisten. Dat kan ook gebeuren via ruimere protocolakkoorden of de oprichting van overlegfora. Er zijn inzonderheid inspanningen nodig voor de link tussen de politie-, inlichtingen- en veiligheidsdiensten enerzijds en de actoren van de deelstaten anderzijds.

 

III.4.3.2. De beschikbare middelen aanwenden in functie van de prioriteiten

(Regeerakkoord, p. 145-146 en 160-163)

De middelen van de politie- en inlichtingendiensten worden aangewend in functie van de prioriteiten door een goede verdeling van de taken.

  1. Een rationeel beheer van de beschikbare middelen van de politie- en inlichtingendiensten vereist de bepaling van de prioriteiten en een goede verdeling van de taken afhankelijk daarvan. Een van de maatregelen in voorbereiding is de ontwikkeling van een toepasselijk nationaal inlichtingenplan voor de Veiligheid van de Staat. De denkoefening start over enkele maanden en daarbij zal rekening worden gehouden met de door de Nationale Veiligheidsraad gedefinieerde prioriteiten.
  2. De voltooiing van de overheveling van de taak fysieke beveiliging van de persoonlijkheden van de Veiligheid van de Staat naar de politie ligt eveneens in de lijn van die betere verdeling van de taken rond de core business van elke actor (2015).
  3. Het OCAD speelt een centrale coördinerende rol tussen inzonderheid de politie-, inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Er moet worden gewaarborgd dat het OCAD voldoende wordt gevoed met de nodige informatie zodanig dat het zich concentreert op zijn prioritaire taken inzake evaluatie die moeten worden gedefinieerd vanuit een betere identificatie van de behoeften door het beleidsniveau als door de operationele diensten en door het federaal parket. In de komende maanden zal er een denkoefening plaatsvinden.
  4. De ruimere maar fundamentele oefening die moet worden opgezet, heeft betrekking op de herdefiniëring van de kerntaken van de politie. Voor justitie gaat het erom zowel de oefening inzake de optimalisering binnen de geïntegreerde politie te voltooien, de taken van de gerechtelijke politie te herwaarderen en te herdefiniëren en de verdeling van de taken tussen de politie en andere actoren van justitie, zoals het veiligheidskorps of de penitentiaire beambten, te verduidelijken.

 

III.4.3.3. Wettelijk en regelgevend kader optimaliseren

(PP II / regeerakkoord, p. 145)

Het juridisch kader wordt verbeterd door de herdefiniëring van de taken, om bepaalde hinderpalen te overwinnen en om synergiën mogelijk te maken.

  1. Voor een grotere doeltreffendheid en een betere coördinatie van de actie van de diensten (in het bijzonder de inlichtingendiensten, de politiediensten en het OCAD) moeten niet alleen de taken en de prioriteiten worden geherdefinieerd. Er zijn ook aanpassingen nodig aan het wettelijke en regelgevende kader, zowel voor de tenuitvoerlegging van die herdefiniëring van de taken, als om bepaalde hindernissen te overwinnen en om de verschillende synergiën mogelijk te maken. Het acute en complexe karakter van fenomenen van radicalisering, extremisme en terrorisme maken een geïntegreerde analyse en aanpak ervan door onze structuren en veiligheidsdiensten noodzakelijk. Er is in dat verband een betere afstemming nodig tussen de analyse van de dreiging enerzijds en de daaraan gekoppelde maatregelen anderzijds. Een dergelijke geïntegreerde aanpak zal het beleid ter zake versterken en structureren.
  2. Het is aldus noodzakelijk om in samenwerking met het departement Binnenlandse Zaken in de komende maanden te zorgen voor een herziening van het wettelijke kader van het OCAD naar aanleiding van dat debat over de kerntaken, maar ook om het administratieve kader te verbeteren en inzonderheid de mobiliteit van de analisten van het OCAD te vergemakkelijken.
  3. Voor de Veiligheid van de Staat heeft een van de belangrijkste wetgevende aspecten betrekking op de regels inzake het verzamelen van gegevens en informatie. Na een eerste periode van vijf jaar tenuitvoerlegging van de wet betreffende de bijzondere opsporingsmethoden is een evaluatie nodig om bepaalde aspecten te corrigeren en de procedure te verbeteren zonder afbreuk te doen aan de individuele vrijheden. Een denkoefening over het statuut van het personeel van de Veiligheid tijdens deze legislatuur is ook nodig met in voorkomend geval een grotere homogeniteit van dat statuut als resultaat.
  4. Met betrekking tot de bewijsgaring is hetzelfde evaluatiewerk tijdens deze legislatuur nodig, en daar waar nodig, moet de wetgeving over de telefoontap en de bijzondere opsporingsmethoden worden gecorrigeerd om de realiteit van de onderzoeken en de technologische ontwikkeling in aanmerking te nemen zonder het systeem uit zijn evenwicht te brengen op het stuk van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de rechten van de verdediging (zie ook hoger, nrs. 136-139).

 

III.4.3.4. De processen en de technische middelen optimaliseren

(PP II en PP IV / regeerakkoord, p. 145)

De processen en de technische middelen worden verbeterd, zoals een efficiëntere inning van verkeersboetes en een beter gebruik van telecommunicatiemiddelen.

  1. Na het strategisch overleg, de herdefiniëring van de taken en de prioriteiten en de aanpassing van het wettelijke kader, heeft een vierde niveau van optimalisering van het werk van de gerechtelijke politiediensten, inlichtingen- en veiligheidsdiensten betrekking op de werkprocessen en de technische middelen.
  2. Dat kan slaan op het interne niveau van elke actor, zoals de herdefiniëring van de taken van het logistieke kader (personeel CaLog – 2015) binnen de politie voor bepaalde domeinen van de gerechtelijke politie.
  3. Dat kan vooral betrekking hebben op het operationele werk dat verschillende actoren met elkaar gemeen hebben. Er wordt een voorbeeld gegeven met het “CrossBorder”-project waarin op middellange termijn, inzonderheid ingevolge de Europese wetgeving, wordt beoogd de inning van de verkeersboetes te vereenvoudigen met een stijging van de inkomsten als resultaat maar uiteindelijk ook een daling van de kosten door de administratieve vereenvoudiging, waarbij een billijke verdeling van die kosten tussen de verschillende actoren wordt gewaarborgd. De winst voor de staatskassen wordt geraamd op ten minste 31 miljoen euro per jaar. De stroom justitie/politie is ook erbij betrokken, onder andere betreffende de informatie aan de politie en het parket in het kader van de evolutie van de maatregelen in verband met de strafuitvoering. Die voorbeelden roepen op ruimere wijze de vraag op inzake de informatisering van die stroom waarvoor budgettaire inspanningen nodig zijn voor in eerste instantie evidente winst op het stuk van doeltreffendheid en in tweede instantie winst op het stuk van de human resources.
  4. In bepaalde gevallen is voor de optimalisering een betere mutualisering (of bundeling) van bepaalde middelen nodig, inzonderheid de Central Telecommunications Interception Facility (CTIF) die zowel in de sector van de inlichtingen als in die van de bewijsgaring in het gerechtelijk onderzoek kan werken. Soms zijn investeringen noodzakelijk om vervolgens aanzienlijke winst te boeken: aldus is men van oordeel dat bepaalde investeringen voor het onderscheppen van telecommunicatie meer dan 10 % van het jaarlijks geïnvesteerde bedrag zouden opbrengen onder de vorm van een vermindering van de gerechtskosten.

III.5. Penitentiair beleid en beleid betreffende geïnterneerden

(PP IV / regeerakkoord, p. 136-139)

Er worden maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat alle gedetineerden in humane omstandigheden worden opgesloten. Daarbij wordt een aangepast beleid ontwikkeld ten aanzien van geïnterneerden.

  1. De opsluiting in de gevangenis bestaat hoofdzakelijk uit het ontnemen aan personen van de vrijheid van komen en gaan. Gedetineerden mogen aan geen andere beperkingen van hun rechten worden onderworpen dan deze die uit de veroordeling of de opgelegde maatregel wettelijk voortvloeien of er onlosmakelijk mee verbonden zijn. De overheid moet vermijdbare detentieschade voorkomen. Geïnterneerden zijn de meest kwetsbare groep in de gevangenis. Zij lijden aan een geestesstoornis en moeten worden behandeld en verzorgd. Een gevangenis is daarvoor geen gepaste setting.
  2. Gedetineerden hebben ook plichten. Het beheer van het gevangeniswezen moet ervoor zorgen dat de veiligheid in de maatschappij wordt gewaarborgd, evenals de veiligheid in de gevangenissen.
  3. De penitentiaire overbevolking staat al te vaak een menswaardige behandeling van de gedetineerden in de weg en zorgt voor een te grote werkdruk voor het personeel. Begin 2015 verbleven 11.377 gedetineerden in de Belgische penitentiaire inrichtingen. De celcapaciteit bedroeg 10.185 eenheden. Dit geeft een tekort van 1.192 plaatsen. De overbevolking bedraagt dus ongeveer 12 %. De vorige jaren was de graad van overbevolking nog hoger. In de ons omringende landen (met uitzondering van Frankrijk) en Scandinavië kent men geen overbevolking. Integendeel, cijfers op 1 april 2014 tonen aan dat Nederland (81,9 %) en Duitsland (81,8 %) onderbevolking kennen. Vandaag zijn er in Nederland maar ongeveer 8.000 gedetineerden voor bijna 17 miljoen inwoners. In ons land is het aantal voorlopig gehechten bijzonder hoog en vertegenwoordigt het meer dan 1/3 van het totaal aan gedetineerden. In onze gevangenissen zijn ook de gedetineerden met vreemde nationaliteit oververtegenwoordigd (rond de 43 %) in vergelijking met de ons omringende landen (Frankrijk 18,1%; Nederland 20,3% en Duitsland 28,5%, telkens cijfers uit 2013).
  4. De maatschappelijk kost van de detentie is zwaar. Afgezet tegen het totale budget van DG EPI (558,02 miljoen euro), kan men kort door de bocht stellen dat een gedetineerde in totaal gemiddeld 49.048 euro/ jaar kost. Dit onverminderd de kosten die worden gedragen door de gemeenschappen voor de organisatie van re-integratieprogramma’s. Er moet dringend rationeler omgegaan worden met de vrijheidsberovingen van voorlopige gehechten, veroordeelden en geïnterneerden. Vaak schieten deze hun maatschappelijk doel voorbij. Er dient meer ingezet te worden op alternatieven die vaak efficiënter zijn en de maatschappij minder kosten.
  5. Het streefdoel moet zijn de gevangenispopulatie duurzaam te brengen onder 10.000 gedetineerden, rekening houdend met de beschikbare capaciteit die enerzijds zal worden uitgebreid door nieuwe projecten en anderzijds zal dalen door sluiting van oude, onaangepaste sites (bijvoorbeeld Vorst, Sint-Gillis, Berkendael, Namen, Dinant, enzovoort).
  6. Ons land telt vandaag 34 penitentiaire inrichtingen met telkens een eigen infrastructuur, omvang en populatie (zie hoger, nr. 22). In Vlaanderen bevinden zich 16 inrichtingen, waar ongeveer 49% van de totale populatie verblijft. Hetzelfde aantal inrichtingen is gesitueerd in Wallonië. Deze 16 inrichtingen huisvesten ongeveer 38% van de totale populatie. Tot slot verblijft in de twee inrichtingen in Brussel 13% van de totale gevangenisbevolking. Specifiek voor de geïnterneerden zijn er het Regionaal Centrum voor Psychiatrische Zorg (CRP) ‘Les Marronniers’ in Doornik, het Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) te Gent en het FPC in Antwerpen waar de bouw momenteel gaande is. Ook in Paifve bestaat een specifieke penitentiaire inrichting voor geïnterneerden (205 plaatsen).
  7. De afgelopen tien jaar werd wetgeving goedgekeurd die aan gedetineerden en geïnterneerde personen een rechtspositie verleent en de basis is voor de uitstippeling van een detentie- of zorgtraject. Hoger (nrs. 113-127) werd toelichting gegeven bij de geplande hervorming en vervanging van de wet van 17 mei 2006 “betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten” die handelt over de rechten en plichten van de veroordeelde bij de uitvoering van zijn straf buiten de inrichting. De basiswet van 12 januari 2005 “betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden” bepaalt de rechten en plichten van de gedetineerde en de geïnterneerde binnen de inrichting (interne rechtspositie). De wet van 5 mei 2014 “betreffende de internering van personen” is de wettelijke basis voor de uitvoering van de internering als veiligheidsmaatregel.
  8. Ondanks deze wetten is het vertrouwen in de uitvoering van straffen en maatregelen voor verbetering vatbaar. Het geschonden vertrouwen heeft een hersteloperatie nodig. Drie elementen dragen bij tot de noodzakelijke rust: de effectieve uitvoering van straffen (zie hoger nrs. 113-127), de uitstippeling van een detentietraject voor gedetineerden en tot slot de verdere uitbouw van een zorgtraject-op-maat voor de geïnterneerden. De bewerkstelliging van een uitvoering op maat vergt initiatieven om het penitentiair beleid in ons land in overeenstemming te brengen met de Europese maatstaven.
  9. De stappen in het streven naar een vrijheidsbeneming in humane omstandigheden bewegen zich op het vlak van wetgeving, op het vlak van het penitentiaire personeel dat instaat voor de dagelijkse begeleiding en op het vlak van de penitentiaire capaciteit (zie hoofdstuk IV, nrs. 385- 394 en 300-307). Bij deze hervormingen moet intensief worden samengewerkt met de andere betrokken departementen (Volksgezondheid, Vreemdelingenzaken) en de gemeenschappen (Welzijn).

III.5.1. Humane detentieomstandigheden voor alle gedetineerden

(PP IV / regeerakkoord, p. 136-138)

Er worden maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat alle gedetineerden in humane omstandigheden worden opgesloten. Deze maatregelen hebben betrekking op de gezondheidszorg van gedetineerden, een onafhankelijk toezicht op de gevangenissen, het klachtenrecht voor gedetineerden en de detentieplanning.

  1. De Basiswet van 12 januari 2005 bepaalt de interne rechtspositie van gedetineerden in de penitentiaire inrichting. Enkele cruciale hoofdstukken zijn nog niet in werking getreden zoals de gezondheidszorg, het toezicht op de gevangenissen door de Centrale Raad en de lokale commissies van toezicht, het klachtenrecht en de detentieplanning. De volledige inwerkingtreding van deze wet, na het aanbrengen van enkele wijzigingen, laat toe aan gedetineerden een volledig wettelijk kader te bieden dat hun rechten en plichten in de inrichting bepaalt.

 

III.5.1.1. Gezondheidszorg voor gedetineerden

(PP IV / regeerakkoord, p. 137)

a)      Inwerkingtreding van de Basiswet

De artikelen van de Basiswet met betrekking tot de gezondheidszorg van gedetineerden zullen in werking treden.

  1. Gedetineerden hebben recht op een gelijkwaardige gezondheidszorg. De artikelen 87 tot en met 99 van de Basiswet van 12 januari 2005 regelen de medische zorgen voor de gedetineerden. Deze bepalingen zijn in overeenstemming met internationale verdragen en aanbevelingen en met de wet van 22 augustus 2002 “betreffende de rechten van de patiënt”. De principes van gelijkwaardigheid van de gezondheidszorg aan de buitenwereld, van de specifieke noden van gedetineerden en van de continuering van zorgen van vóór de detentie, zijn erin gewaarborgd. De vrije keuze van de arts is aangepast aan de organisatie van de zorg binnen de penitentiaire inrichting (“intra muros”) en is beperkt tot een advies en slechts uitzonderlijk tot daadwerkelijke behandeling.
  2. Dit onderdeel van de Basiswet is vandaag nog niet in werking getreden. De niet-inwerkingtreding zorgt er ongetwijfeld voor dat de gezondheidszorg in de gevangenissen de laatste tijd in een minder positief daglicht is komen te staan, niet in het minst met betrekking tot de zorg aan geïnterneerden. Het is noodzakelijk dat deze artikelen worden uitgevoerd.
b)      Organisatie van de penitentiaire gezondheidszorg

De penitentiaire gezondheidszorg wordt geïntegreerd in de algemene gezondheidszorg en zal het voorwerp uitmaken van een globaal gezondheidsplan.

  1. In de gezondheidszorg voor gedetineerden en geïnterneerden primeert de genoemde wet van 22 augustus 2002 “betreffende de rechten van de patiënt”, naast de basiswet.
    Een gelijkwaardige gezondheidszorg voor gedetineerden kan alleen gerealiseerd worden door een integratie in de algemene gezondheidszorg. Er moet gestreefd worden naar een intense samenwerking tussen de departementen van Justitie en van Volksgezondheid. Zoals bepaald in het regeerakkoord wordt de minister van Justitie betrokken bij de Interministeriële Conferentie (IMC) Volksgezondheid waar wordt onderzocht hoe de organisatie en de financiering van de penitentiaire gezondheidszorg kan geoptimaliseerd worden. De globale som van de ziektekosten voor gedetineerden is voor het jaar 2014 beraamd op een bedrag van om en bij de 100 miljoen euro. De grootste kost zijn de hospitalisatie van gedetineerden en de plaatsing van geïnterneerden buiten de penitentiaire inrichtingen (om en bij de 40 miljoen euro). Het RIZIV nam in 2014 bijna 40 miljoen euro voor zijn rekening voor de geïnterneerden en om en bij de 8 miljoen euro voor de ziektekosten van gedetineerden.
  2. Er wordt een globaal gezondheidsplan voor de organisatie van de gezondheidszorg voor gedetineerden en geïnterneerden opgesteld. Het plan beoogt een verhoging van de kwaliteit van het algemene zorgaanbod voor gedetineerden en geïnterneerden binnen en buiten de gevangenissen. Het plan houdt rekening met de specifieke noden van de doelgroepen (zoals gedetineerden met middelengebruik). Het plan bevat naast een verbetering van de uitstroom naar voorzieningen buiten de gevangenis maatregelen om de samenwerking tussen de onafhankelijke zorgverleners binnen de gevangenissen aan te moedigen.
c)       De ziekteverzekering voor gedetineerden

Er wordt nagegaan hoe de verzekering voor geneeskundige verzorging van gedetineerden en geïnterneerden ingebed kan worden in de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging.

  1. Gedetineerden vallen buiten de klassieke stelsels van de ziekteverzekering. Voor hen is een uitzonderlijke regeling van kracht. Artikel 5 van de Verordening van 28 juli 2003 tot uitvoering van artikel 22, 11°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, sluit de gedetineerden uit van de ziekteverzekering en dus van de terugbetaling van geneeskundige zorgen. De gedetineerden genieten namelijk in de gevangenis van een kosteloze medische verzorging, verstrekt door aan de gevangenis verbonden behandelende artsen. Overeenkomstig artikel 5, lid 2, van de verordening geldt deze uitsluiting niet voor de geneeskundige verstrekkingen tijdens de periode waarin de rechthebbende gedetineerde zich ten gevolge van een beslissing van de penitentiaire administratie buiten de gevangenis bevindt onder toepassing van de strafuitvoeringsmodaliteit van penitentiair verlof, elektronisch toezicht of onderbreking van de strafuitvoering (dus niet tijdens de beperkte detentie of een uitgaansvergunning). Voor deze tussenkomt van het RIZIV tijdens deze strafuitvoeringsmodaliteiten betaalt de FOD Justitie jaarlijks een bijdrage aan het RIZIV. Dit is bepaald in een protocolakkoord tussen de minister van Justitie en de minister van Sociale Zaken dat in werking trad op 1 januari 2010. De voorwaarde voor tussenkomst is de inschrijving van de gedetineerde bij het ziekenfonds.
  2. Ook hier is er diepgaand overleg met het bevoegde departement van de FOD Volksgezondheid en het RIZIV om na te gaan hoe de verzekering voor geneeskundige verzorging van gedetineerden en geïnterneerden vanaf 2016 kan worden ingebed in de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging.

 

III.5.1.2. Een onafhankelijk toezicht op de gevangenissen

(PP IV / regeerakkoord, p. 137-138)

Na aanpassing zullen de artikelen van de Basiswet over het toezicht op de gevangenissen inwerkingtreden. De toezichtsinstellingen zullen verbonden worden aan de Kamer van volksvertegenwoordigers om hun onafhankelijkheid te benadrukken.

  1. De artikelen 21 tot en met 31 van de Basiswet die het toezicht op de penitentiaire inrichtingen bepalen – met enerzijds de Centrale Toezichtsraad en anderzijds de commissies van toezicht – vergen een aanpassing alvorens in werking te kunnen treden. De Centrale Toezichtsraad heeft zelf enkele aanbevelingen gedaan over de werking, de samenstelling en het statuut van de leden. De huidige organisatie en werking zijn vandaag nog bepaald in het Koninklijk Besluit van 21 mei 1965 houdende Algemeen Reglement van toepassing op de Strafinrichtingen.
  2. De grootste uitdaging is om deze instellingen niet langer organiek onder te brengen bij de FOD Justitie die door hen eigenlijk wordt gecontroleerd. Er wordt voorgesteld om deze organen onder te brengen bij een onafhankelijke instelling verbonden aan de Kamer van volksvertegenwoordigers waaraan ze in eerste instantie zouden moeten rapporteren.

 

III.5.1.3. Het klachtenrecht van gedetineerden

(PP IV / regeerakkoord, p. 137-138)

Er wordt overwogen om het formele klachtenrecht van gedetineerden in te voeren.

  1. Het formele klachtenrecht is vastgelegd in de artikelen 147 tot en met 166 van de Basiswet. De bedoeling is om de gedetineerden een laagdrempelige en kosteloze toegang te geven tot een extern rechtsprekend orgaan omtrent klachten die ze hebben met betrekking tot elke beslissing die door of namens de gevangenisdirecteur ten aanzien van hen werd genomen. Vandaag kan de gedetineerde zich enkel richten tot de commissie van toezicht voor een informele bemiddeling, tot de directeur zelf (willig beroep) of tot de gewone rechtbanken en de Raad van State.
  2. Na grondige studie en advies van de Centrale Raad en de commissies kan worden overwogen om het klachtenrecht in te voeren. Er dienen dan binnen deze organen respectievelijk een beroepscommissie en een klachtencommissie te worden opgericht, voorgezeten door een rechter. Dit vergt een bijkomende organisatie met kosten en personeel. Indien de Centrale Raad en de commissies overgaan naar de Kamer van volksvertegenwoordigers, is het niet meer de taak van het departement van Justitie om daarin tussen te komen.

 

III.5.1.4. Detentieplanning

(PP IV / regeerakkoord, p. 137-138)

De bepaling van de Basiswet in verband met detentieplanning wordt uitgevoerd. Arbeid en vorming zijn belangrijke aspecten tijdens de detentie en moeten gestimuleerd worden.

  1. Detentieplanning is één van de belangrijke principes uit de Basiswet. Artikel 38 van de Basiswet bepaalt dat dit plan een schets bevat van het detentietraject en van de activiteiten die onder meer gericht zijn op psychosociale begeleiding, vorming en zorg, en dus op reclassering. Onder meer de plaatsing in een bepaalde inrichting kan van het detentieplan afhangen.
  2. Het detentieplan maakt de brug tussen de detentie en de re-integratie in de vrije samenleving. Planning en structurering van de detentie moeten de gedetineerde voorbereiden op een terugkeer naar de maatschappij. Het leven in de gevangenis moet dan ook in de mate van het mogelijke een weerspiegeling zijn van het vrije leven. Het aanbod van arbeid en vorming moet hoger, evenals de ontspanningsactiviteiten en de contacten met de buitenwereld via bezoek, telefoon en briefwisseling. Voor veel van deze taken zijn de deelstaten bevoegd. De daarvoor bestaande samenwerkingsakkoorden blijven uiterst belangrijk en dienen permanent geëvalueerd te worden.
  3. Er moet een beter zicht komen op de gedetineerdenpopulatie zodat er door een betere planning en dus een rationalisering van de detentie kan gebeuren. Dit inzicht zal verkregen worden op basis van een Risk-Needs assessment, dat loopt van bij de aanvang tot het einde van de detentie. Het assessment heeft twee doeleinden. Enerzijds zal een gedetineerde op basis hiervan toegewezen worden aan een gevangenis met een aangepast veiligheidsniveau. Dit heeft voor gevolg dat er een grotere differentiatie kan komen binnen het huidige patrimonium en dat niet overal dezelfde zware eisen rond veiligheidsprocedures, -installaties en personele omkadering moet gesteld worden. Anderzijds wordt de gedetineerde op basis van het assessment georiënteerd naar een regime en een programma dat maximaal afgestemd is op zijn behoeften. Dit moet hem in staat stellen zijn re-integratie optimaal – en dus ook zo vroeg mogelijk in de detentie – voor te bereiden.
  4. Het recht op het bijwonen van vormingsactiviteiten die in de gevangenissen worden georganiseerd, is een basisrecht voor iedere gedetineerde. De concrete organisatie van deze activiteiten valt onder de bevoegdheid van de deelstaten. De penitentiaire administratie moet ervoor instaan dat de gedetineerde een zo ruim mogelijke toegang krijgt tot het aanbod. Deze activiteiten hebben betrekking op onderwijs, het volgen van een beroepsopleiding, sociaal-culturele vorming, creatieve en culturele activiteiten, sport enzovoort.
    Verder dient het aanbod van penitentiaire arbeid en beroepsopleiding verruimd te worden. In 2013 werkten gemiddeld 3.887 gedetineerden per maand in de gevangenissen of volgden een beroepsopleiding, wat neerkomt op één op drie gedetineerden. De omzet voor dat jaar bedroeg 13.494.916 euro. De winst van 1.516.512 euro werd gebruikt om gevangenisprojecten te financieren maar ook om opleidingen te organiseren voor de gedetineerden. Met de beoogde daling van het aantal gedetineerden, de vrij te komen ruimtes en de verhoging van het aantal beroeps- en arbeidsplaatsen moeten meer gedetineerden kunnen worden geactiveerd.

 

 

III.5.2. Een aangepast beleid ten aanzien van geïnterneerden

(PP IV / regeerakkoord, p. 138-139)

De populatie van geïnterneerden is een zeer heterogene groep, zowel op vlak van psychopathologie, persoonlijkheid, en de aard en ernst van de door hen gepleegde strafbare feiten, als wat hun noden, vragen en behoeften betreft. Het zorgaanbod dient daarom voldoende gediversifieerd te zijn, aangepast aan de individuele behoefte en het risicoprofiel van de geïnterneerde. Dit betekent dat de nadruk ligt op een uitstroom van deze populatie uit de gevangenissen en een doorstroming in het externe zorgcircuit. Bij de uitbouw van een zorgcircuit moet zoveel mogelijk aansluiting worden gevonden bij het bestaande hulpverleningsaanbod en de behartigenswaardige evolutie naar de vermaatschappelijking van de zorg.

  1. In ons land hebben vandaag iets minder dan 4.000 personen het statuut van geïnterneerde. Er zijn verschillende plaatsen waar geïnterneerden verblijven. Begin 2015 verbleven 1059 geïnterneerden in onze gevangenissen. 350 geïnterneerden verbleven in het Regionaal Centrum voor Psychiatrische zorg (CRP) Les Marronniers in Doornik en 30 geïnterneerden in la Chêne aux Haies in Bergen. Ongeveer 70 geïnterneerden in het nieuwe Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) van Gent dat tegen eind september 2015 plaats zal bieden aan een totaal van 264 geïnterneerde personen. Naast de groep geïnterneerden in onze gevangenissen, in aangepaste centra voor psychiatrische zorg, zijn 143 personen geplaatst in het externe zorgcircuit. Een belangrijke groep geïnterneerden – begin 2015 bedroeg hun aantal 2195 – geniet van een invrijheidstelling op proef. Deze invrijheidstelling is een modaliteit van uitvoering van de internering mits naleving van voorwaarden die aan de geïnterneerde worden opgelegd. Deze laatste groep heeft evenzeer nood aan een aangepaste zorgomkadering waarbinnen een reclasseringsplan concreet vorm kan krijgen.

 

III.5.2.1. De rechtspositie van geïnterneerden

(PP IV / regeerakkoord, p. 138-139)

De rechtspositie van geïnterneerden wordt verbeterd door de wet van 5 mei 2014 aan te passen en in werking te doen treden, door de installatie van kamers ter bescherming van de maatschappij en door de uitwerking van een eigen interne rechtspositie van geïnterneerden.

  1. Tot op vandaag is de wet van 9 april 1930 “tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten”, zoals gewijzigd door de wet van 1 juli 1964, van toepassing op geïnterneerden. Deze wet is nog steeds van kracht ondanks twee wetgevende initiatieven die werden genomen in 2007 en in 2014 om een betere rechtspositie voor geïnterneerden in te voeren.
    De wet van 21 april 2007 “betreffende de internering van personen met een geestesstoornis” was te weinig doordacht om ooit toepassing te laten krijgen en werd opgeheven.
  2. Sinds 2011 is België herhaaldelijk en in steeds scherpere bewoordingen veroordeeld voor de wijze waarop met geïnterneerde personen wordt omgegaan, met vaststellingen van schendingen van artikel 3 (verbod op onmenselijke en vernederende behandeling), artikel 5, §1 (verbod op arbitraire vrijheidsberoving) en artikel 5, §4 (recht op beoordeling van de vrijheidsberoving door een onpartijdige rechter) EVRM. Onder druk van deze kritieken en internationale veroordelingen werd de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering van personen goedgekeurd.
    Prioritaire aandacht gaat uit naar de inwerkingtreding van de wet van 5 mei 2014.
a)      Aanpassingen aan de wet van 5 mei 2014

In overleg met de minister van Volksgezondheid wordt werk gemaakt van een aanpassing van de wet van 5 mei 2014 met het oog op haar inwerkingtreding.

  1. De wet van 5 mei 2014 betreffende de internering van personen betekent een aanzienlijke vooruitgang ten aanzien van de geldende wet van 9 april 1930, met een betere en consistentere regeling. De tekst bevat echter een aantal technische onvolmaaktheden en onduidelijke bepalingen die de toepassing van de regelgeving in min of meerdere mate dreigen te hypothekeren.
  2. De reparaties aan de wet van 5 mei 2014 worden momenteel besproken in een werkgroep waarvan ook vertegenwoordigers van de minister van Volksgezondheid deel uitmaken. De wet stelt immers, naast de beveiliging van de maatschappij, de zorg voor geïnterneerde personen centraal. Het is duidelijk dat de uitstippeling van het zorgtraject voor de geïnterneerde persoon een gedeelde beleidsbevoegdheid is van de minister van Justitie en de minister van Volksgezondheid. Naast de aanpassingen van de wet bereidt de werkgroep ook de inwerkingtreding en de praktische uitvoering op maat voor. Daarbij wordt rekening gehouden met de diversificatie binnen de groep van geïnterneerden.
b)      Installatie van de kamers ter bescherming van de maatschappij

De kamers ter bescherming van de maatschappij worden opgericht.

  1. Conform het regeerakkoord worden de kamers ter bescherming van de maatschappij opgericht als nieuwe kamers binnen de bestaande strafuitvoeringsrechtbanken. Deze kamers nemen de bevoegdheid over van de bestaande commissies ter bescherming van de maatschappij (CBM).
c)       Een eigen interne rechtspositie voor geïnterneerden

Er komt een eigen interne rechtspositie die is aangepast aan de specifieke noden van geïnterneerden.

  1. Artikel 167, § 1, van de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden bepaalt dat de wet van toepassing is op de geïnterneerde gedetineerden, in afwachting dat hun interne rechtspositie in een specifieke wet wordt geregeld. Bij de inwerkingtreding van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering van personen moet ook werk worden gemaakt van de uitwerking van een eigen interne rechtspositie van geïnterneerden. Gezien deze personen lijden aan een geestesstoornis zijn vele bepalingen van de Basiswet van 2005 niet aangepast aan de bijzondere noden van deze groep. Zo zijn onder meer de bepalingen van tucht, veiligheid en detentieplanning onaangepast.

 

III.5.2.2. Naar een zorgtraject voor geïnterneerde personen

(PP IV / regeerakkoord, p. 138-139)

Er wordt werk gemaakt van een zorgtraject voor geïnterneerden, door een aanpassing van de wet van 5 mei 2014, de verdere uitbouw van een forensisch psychiatrisch zorgnetwerk, de wegwerking van de ontbrekende schakels in het bestaande forensisch psychiatrisch zorgnetwerk, en de oprichting van een gespecialiseerd centrum voor observatie en diagnosestelling opgericht.

  1. Een aanpassing van de wet van 5 mei 2014 is noodzakelijk om voldoende draagkracht en omkadering te bieden voor de verdere uitbouw van een zorgtraject voor geïnterneerde personen.
    Als uitgangspunt geldt dat aan geïnterneerde personen de nodige zorg en behandeling moet worden geboden om een menswaardig leven te leiden, rekening houdend met het veiligheidsrisico en de gezondheid van de geïnterneerde persoon. Deze bepaling is de leidraad van het beleid inzake de geïnterneerde persoon. Studies wijzen uit dat geïnterneerden minder hervallen na het volgen van een behandeling.
  2. De ambitie is om het zorgtraject, overeenkomstig de huidige stand van de medische wetenschap, gericht te sturen naar een professionele opvang en behandeling van geïnterneerde personen in het bestaande psychiatrische zorgnetwerk en in een verder uit te bouwen forensisch psychiatrisch zorgnetwerk. Zoals in de samenleving buiten de gevangenissen wordt gestreefd naar een vermaatschappelijking van de geestelijke gezondheidszorg vanuit de bekommernis aan geïnterneerden een deskundige en aangepaste zorg te geven, verspreid over voorzieningen die een zorg op maat kunnen bieden.
  3. Vandaag worden geïnterneerde personen zo veel als mogelijk opgevangen binnen het bestaande psychiatrisch zorgnetwerk dat voornamelijk bestaat uit psychiatrische ziekenhuizen, rust- en verzorgingstehuizen en de centra voor ambulante zorg. In het beleid waar de zorg van geïnterneerden centraal staat, wordt het forensisch psychiatrisch zorgnetwerk verder uitgebreid. Bijzondere aandacht gaat uit naar drie schakels die vandaag ontbreken in het forensische zorgnetwerk, met name een zorgeenheid voor geïnterneerden die langdurige zorg en/of verblijf nodig hebben, een zorgeenheid in Vlaanderen voor vrouwelijke geïnterneerden en zorgeenheden voor geïnterneerden met een mentale beperking of een niet-aangeboren hersenletsel (NAH).
a)      Verdere uitbouw van een forensisch psychiatrisch zorgnetwerk

Er wordt werk gemaakt van een verdere uitbouw van een forensisch psychiatrisch zorgnetwerk.

  1. Met de opening van de Forensische Psychiatrische Centra (FPC’s) in Gent en binnenkort in Antwerpen heeft Justitie samen met Volksgezondheid een zeer belangrijke stap gezet in de verdere uitbouw van een forensisch psychiatrisch zorgnetwerk in Vlaanderen. Deze FPC’s zijn beveiligde inrichtingen die een deskundige begeleiding en behandeling aanbieden, gelijkwaardig aan deze in reguliere psychiatrische ziekenhuizen. Een gelijkaardig aanbod wordt in Wallonië reeds geboden in het Regionaal Centrum voor Psychiatrische zorg (CRP) Les Marronniers (Doornik) en in La Chêne aux Haies (Bergen).
    Naast de FPC’s worden vandaag ook geïnterneerden behandeld in forensische eenheden van psychiatrische centra in Bierbeek, Zelzate, Rekem en Schaarbeek (Titeca).
  2. Het forensisch psychiatrisch zorgnetwerk heeft als perspectief de re-integratie in de maatschappij, al dan niet voorafgegaan door een opname en behandeling van de geïnterneerde persoon in een residentiële zorgverlening.
b)      Ontbrekende schakels in het forensisch psychiatrisch zorgnetwerk

Er komt een zorgeenheid voor geïnterneerden die langdurige zorg en/of verblijf nodig hebben, een zorgeenheid in Vlaanderen voor vrouwelijke geïnterneerden en zorgeenheden voor geïnterneerden met een mentale beperking of een niet-aangeboren hersenletsel (NAH).

  1. Bijzondere aandacht gaat uit naar drie ontbrekende schakels in het bestaande forensisch psychiatrisch zorgnetwerk. Voor drie specifieke groepen van geïnterneerden moet gezocht worden naar zorgeenheden vanuit de ambitie om ook deze geïnterneerden te rehabiliteren en te laten uitstromen uit de forensische psychiatrische ziekenhuizen.
  • Een zorgeenheid voor langdurige zorg en/of verblijf
  1. Vandaag ontbreekt een specifiek aanbod voor problematische geïnterneerde personen die al dan niet tijdelijk buiten het behandelcircuit (regulier of forensisch) komen te staan. Voor deze groep wordt een zorgvoorziening voorzien voor langdurige zorg en/of verblijf in menswaardige omstandigheden. Deze zorgeenheid voor langdurig verblijf dient te worden georganiseerd in een beveiligde setting waar deskundige zorg door professionele zorgverleners aangeboden wordt. De voorkeur gaat uit naar de organisatie van een zorgeenheid op een bestaande psychiatrische campus in afwachting van de grondige renovatie van de inrichting van Merksplas.
  • Een zorgeenheid voor vrouwelijke geïnterneerden in Vlaanderen
  1. Vandaag verblijven om en bij de 30 vrouwelijke geïnterneerden in de penitentiaire instelling van Brugge en in verschillende psychiatrische annexen van de Vlaamse strafinrichtingen. Naar analogie met het psychiatrisch ziekenhuis la Chêne aux Haies in Bergen, waar een dertigtal plaatsen zijn voorbehouden aan vrouwelijke geïnterneerden, wordt een voorziening in Vlaanderen gezocht die als psychiatrisch ziekenhuis kan instaan voor de zorg en behandeling van vrouwelijke geïnterneerden.
  • Een zorgeenheid voor geïnterneerden met een mentale beperking of een niet-aangeboren hersenletsel (NAH)
  1. Meer dan 20% van de geïnterneerde personen heeft een mentale beperking of een niet-aangeboren hersenletsel (NAH) en vraagt een aangepaste zorg. Vandaag worden residentiële projecten zoals Itinera, Limes en Amanis en ambulante projecten gesubsidieerd door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH) dat een voortrekkersrol vervult in de begeleiding van deze groep van geïnterneerden.
    In het Franstalige landsgedeelte wordt het Agence Wallonne pour l’Intégration des Personnes Handicapées (AWIPH) aangespoord om initiatieven in dezelfde zin te nemen.
  2. De nadruk moet ook voor deze groep van geïnterneerden liggen op intensieve zorg en waar het kan op een doorstroming naar een geschikte woonvorm, werksituatie en/of begeleidings- en behandelingsaanbod.
    Voor deze groep van geïnterneerden beantwoordt het aanbod vandaag niet aan de noden die binnen deze groep bestaan.
c)       Een beveiligd klinisch observatiecentrum

Er wordt een gespecialiseerd centrum voor observatie en diagnosestelling opgericht.

  1. Er wordt een centrum opgericht dat tot doel heeft expertises en deskundige klinische observaties te doen van gedetineerden, in de lijn van artikel 6 van de wet van 5 mei 2014 en het regeerakkoord dat voorziet in de oprichting binnen justitie van een gespecialiseerd centrum voor observatie en diagnosestelling.

 

De in dit hoofdstuk geformuleerde hervormingen maken het mogelijk om de strafprocedure efficiënter en effectiever te laten verlopen en het strafrecht te reduceren tot zijn kerntaak om ernstige criminaliteit passend te sanctioneren en de maatschappij te beveiligen.

Door de strafrechtelijke reactie voor te behouden voor de meest ernstige feiten en een grotere diversifiëring in de bestraffing in te voeren, wordt de gevangenisstraf effectief herleid tot het ultieme antwoord op crimineel gedrag, wanneer andere maatregelen, punitief of resocialiserend, niet helpen.

Deze ingrepen zorgen er ook voor dat de beperkte gevangeniscapaciteit effectief wordt benut en de detentieomstandigheden gevoelig verbeteren, mede omdat de overbevolking wordt afgebouwd: (i) een zuiniger beleid inzake voorlopige hechtenis, (ii) een meer aangepaste strafuitvoering, (iii) het duurzaam overbrengen van de geïnterneerden naar gespecialiseerde inrichtingen alsook (iv) specifieke maatregelen voor verdachten zonder verblijfsrecht zouden het aantal gedetineerden (waaronder ongeveer 1.000 geïnterneerden) duurzaam beneden 10.000, en wellicht van 11.000 tot ongeveer 8.000 moeten kunnen brengen.

Op het vlak van het penitentiair beleid worden er belangrijke maatregelen genomen om een detentie in humane omstandigheden te verzekeren, met een correcte gezondheidszorg, een onafhankelijk toezicht op de gevangenissen, een klachtenrecht voor gedetineerden en detentieplanning. De bijzondere categorie van geïnterneerden krijgt een aangepast beleid, met het oog op een verbeterde rechtspositie en een effectief zorgtraject.

Daarnaast wordt ook de regeling van de externe rechtspositie van gedetineerden gemoderniseerd, waarbij een werkzaam onderscheid wordt gemaakt tussen veroordeelden met straffen in uitvoering tot vijf jaar dan wel boven vijf jaar. De tijdsvoorwaarde voor een vervroegde invrijheidstelling wordt algemeen op minstens de helft van de veroordeling gebracht. Tevens wordt voor personen zonder recht op verblijf in België een bijzondere regeling getroffen, aangezien zij niet in aanmerking komen voor een tijdelijke vrijlating met het oog op de re-integratie in de Belgische samenleving.

Wat specifiek de strafprocedure betreft, zullen de in de potpourri-wetten voorziene hervormingen tot een onmiddellijke vereenvoudiging en versnelling van de strafprocedures leiden. Het betreffen voornamelijk ingrepen die een onmiddellijk effect zullen ressorteren op de werklast van de magistraten en het gerechtspersoneel, en die rechtsmisbruiken aan banden leggen, zonder daarmee de fundamentele rechten van verdediging en een eerlijke procesvoering in het gedrang te brengen.

Ondertussen wordt een diepgaande hervorming ten gronde voorbereid, waarbij de lastige knopen zullen worden doorgehakt omtrent het al dan niet integreren van het opsporings- en het gerechtelijk onderzoek, en de mate waarin partijen kunnen participeren in het vooronderzoek dan wel hun rechten voor de rechter ten gronde laten gelden.

Tot slot vormt een rechtvaardig en performant strafrechtelijk beleid de hoeksteen van het globale veiligheidsbeleid in de samenleving.

De nieuwe kadernota integrale veiligheid biedt een geactualiseerd en passend beleidskader voor een integrale en geïntegreerde aanpak van een aantal prangende veiligheidsproblemen, doorheen de strafrechtelijke keten van maatschappelijke preventie, repressie en nazorg in functie van de maatschappelijke re-integratie. Dit beleid wordt niet gevoerd op één enkel bestuursniveau maar in nauwe coöperatie tussen de federale staat, de deelstaten en de lokale besturen.

De aanpak in de strijd tegen het terrorisme en radicalisme vormt hier alvast een voorbeeld van, met een duidelijke klemtoon op een verbeterde samenwerking tussen de verschillende actoren.

Daartoe wordt ook het werk van de politie-, inlichtingen- en veiligheidsdiensten verbeterd door strategische samenwerkingsverbanden, een betere oriëntering van de middelen en een optimalisering van het juridisch kader, de processen en de technische middelen.

[1] Universiteit Gent, Een praktijkgericht onderzoek naar de knelpunten in de huidige Belgische strafprocedure met het oog op het schrijven van een nieuwe strafprocedure, Gent, 443 p.

[2] Zie wetsontwerpen ministerraad 6 februari 2015.

[3] Artikel 150 G.W. dat voor herziening vatbaar werd verklaard.